Mijn man plant een jubileumweekend in ons huis, terwijl ik na mijn pensioen juist eindelijk stilte nodig heb

Vorige week vond ik in de bijkeuken twaalf lege wijnflessen in een krat, terwijl er die avond niemand geweest was. Kees had ze alvast gehaald voor ‘het weekend in juni’. Zo noemde hij het steeds, alsof het een treinkaartje was dat al gekocht was en waar we niet meer over hoefden te praten.

Ik wist toen nog niet dat hij ook al twee luchtbedden had besteld.

Kees en ik zijn allebei 67. We wonen in een rijtjeshuis aan de rand van Amersfoort, waar we inmiddels ruim dertig jaar zitten. De kinderen zijn al lang de deur uit. Onze dochter woont met haar gezin in Zwolle, onze zoon in Utrecht. Het huis is eigenlijk te groot voor ons tweeën, zeggen mensen dan. Maar ik vind het juist prettig dat er ruimte is. Een logeerkamer, een rommelkamer waar mijn naaimachine staat, een tuin waar je ’s ochtends alleen de merels en de buren hun achterdeur hoort.

Onze vriendengroep bestaat al sinds de tijd dat Kees en ik net samenwoonden. Acht stellen waren we ooit. Nu zijn we met zes stellen; twee relaties zijn stukgelopen en één vriend, Henk, is vijf jaar geleden overleden. We zien elkaar nog steeds ongeveer één keer per maand. Soms eten we bij iemand thuis, soms gaan we naar een restaurant, naar een museum of een paar dagen weg. Kees regelt al jaren de groepsapp, de reserveringen, de herinneringen aan wie nog niet betaald heeft. Hij is daar goed in. Hij onthoudt verjaardagen, dieetwensen, wie niet meer graag in het donker rijdt.

Ik was altijd degene die zorgde dat het bij ons gezellig was. Kaarsjes op tafel, iets lekkers bij de koffie, een extra dekentje als we buiten zaten. Niet omdat iemand dat van mij eiste. Ik deed het graag. Vroeger had ik een drukke baan op een basisschool en thuis waren de kinderen nog klein. Juist die avonden met vrienden voelden toen als iets van onszelf.

Maar sinds ik in januari stopte met werken, is er iets veranderd waar ik me een beetje voor schaam. Ik dacht dat ik alle tijd van de wereld zou hebben en dus vanzelf ook meer zin in mensen. Het tegenovergestelde gebeurde. Na een ochtend boodschappen doen en even bellen met mijn zus kan ik al verlangen naar een middag waarop niemand iets van me wil. Geen bezoek, geen appjes met plannen, geen koelkast die gevuld moet worden voor twaalf man.

Kees stopte vorig voorjaar bij zijn technische groothandel. De eerste maanden liep hij door het huis alsof hij ergens op wachtte. Hij maakte lijstjes van klusjes, ruimde de schuur drie keer opnieuw in en vroeg op woensdag om half elf al wat we die avond gingen eten. Ik vond dat soms vermoeiend, maar ik had ook medelijden met hem. Hij had veertig jaar lang collega’s, leveranciers en afspraken gehad. Ineens was ik zijn dagelijkse gezelschap.

Toen begon hij weer van alles te organiseren voor de groep. Eerst een wandeling op de Utrechtse Heuvelrug. Daarna een etentje bij een Indonesisch restaurant in Soest. Vervolgens stelde hij voor om het maandelijkse samenzijn af te wisselen met borrels, fietstochten en spelletjesavonden. In de groepsapp kreeg hij steeds duimpjes en hartjes. ‘Jij houdt ons bij elkaar, Kees’, schreef Marjan een keer.

Ik zag hoe hij daarvan opknapte. Hij ging rechter lopen, letterlijk. Dus ik zei niet meteen iets.

Alleen: het kwam steeds vaker bij ons terecht. ‘Wij hebben de grootste tafel.’ ‘Onze tuin is fijn als het weer meezit.’ ‘Jij kunt toch zulke lekkere lasagne maken?’ Dat laatste zei hij meestal als hij al aan het typen was.

Ik zei dan: ‘Kees, vraag het eerst even.’

En hij antwoordde: ‘Natuurlijk, maar je vindt het toch altijd leuk als iedereen er is?’

Dat is zo’n vraag waar je bijna niet meer normaal op kunt reageren. Als ik zei dat het me te veel werd, keek hij alsof ik ineens tegen onze vrienden was. Terwijl ik die mensen niet kwijt wil. Ik wil alleen niet dat ons huis elke paar weken een soort buurthuis wordt waar ik de beheerder van ben.

In maart hadden we een etentje hier. Ik had vooraf gezegd dat ik niet uitgebreid wilde koken. Gewoon soep, brood, salades, klaar. Kees knikte. Op de dag zelf kwam hij thuis met ossenhaas, aardappelgratin en drie soorten tapas ‘omdat het anders zo karig is’. Uiteindelijk stond ik vanaf vier uur in de keuken. Niet omdat hij me daartoe dwong, dat wil ik eerlijk zeggen. Hij hielp ook. Maar hij hielp op de manier waarop je iemand helpt die al bezig is met iets wat jij zelf in gang hebt gezet.

Na afloop, toen de laatste jassen eindelijk van de kapstok waren en er overal glazen stonden, zei ik dat ik dit niet meer maandelijks wilde. Misschien één keer per kwartaal bij ons thuis. En niet altijd met eten.

Hij werd stil. Toen zei hij: ‘Dus nu ik eindelijk tijd heb voor mensen, wil jij de boel afremmen.’

Dat vond ik gemeen. Ik zei dat ik hem niets verbood. Hij kon met ze afspreken, wandelen, lunchen, desnoods iedere week. Alleen hoefde ik niet altijd mee en wilde ik niet steeds gastvrouw zijn.

‘Maar het zijn ónze vrienden,’ zei hij.

Dat woordje ónze bleef hangen.

Een paar dagen later kwam dat jubileumweekend ter sprake. Onze groep bestaat volgend jaar veertig jaar, gerekend vanaf de eerste vakantie met z’n allen in een oud huisje in Drenthe. Kees had het idee opgevat om in juni iedereen een weekend bij ons te laten komen. Vrijdagavond borrelen, zaterdag een fietstocht en barbecue, zondag brunch. De mensen die verder weg wonen zouden blijven slapen. Hij had al geïnventariseerd wie een camper kon meenemen en wie op luchtbedden wilde.

Ik dacht eerst dat hij een grap maakte.

‘Dat ga je toch niet menen?’ vroeg ik.

Hij keek op van zijn telefoon. ‘Iedereen is enthousiast.’

Ik voelde meteen dat nare, lege gevoel in mijn buik. Niet alleen door het idee van twaalf volwassenen in huis, maar doordat hij het al met iedereen besproken had behalve met mij.

Ik zei dat ik wilde dat hij het naar een hotel of groepsaccommodatie verplaatste. Er zijn genoeg plekken rondom Leusden of op de Veluwe. Desnoods betalen we wat meer. Hij zei dat dat onpersoonlijk was en bovendien veel duurder. Ik zei dat twee nachten met mensen op matrassen in mijn huis ook een prijs hebben.

Daar werd hij boos om. Echt boos, niet zijn gewone gemopper. Hij zei dat ik hem voor schut zette tegenover de groep. Dat hij alles al had geregeld. Dat ik blijkbaar geen loyaliteit meer voelde naar mensen die er ook voor ons waren geweest toen mijn moeder ziek was en toen Henk overleed.

Dat laatste raakte me, juist omdat het waar is dat zij toen lief waren. Maar ik zei ook iets lelijks terug. Ik zei dat hij onze vrienden gebruikte omdat hij niet wist wat hij met zichzelf aan moest sinds hij niet meer werkte.

Hij zei niets meer. Hij ging naar boven en sliep die nacht in de logeerkamer. Zo kinderachtig klinkt dat nu, maar ik heb hem niet teruggeroepen.

De volgende ochtend stond hij in de keuken koffie te zetten. Hij had de groepsapp open op zijn telefoon. Ik zag een bericht van hem: ‘Weekend gaat waarschijnlijk niet door zoals gepland. Kom erop terug.’

Ik vroeg of hij het al had afgezegd.

‘Nee,’ zei hij. ‘Ik probeer iets anders te vinden.’

Ik wilde opgelucht zijn, maar hij klonk niet opgelucht. Meer alsof hij iets had moeten inleveren waar hij trots op was. Sindsdien hebben we het er nauwelijks over. Hij zoekt wel locaties, denk ik. Ik hoor hem soms bellen in de werkkamer, zachter dan normaal.

En ik merk dat ik me schuldig voel zodra Marjan of een van de anderen appt over hoe leuk het weekend wordt. Ze weten niet dat ik degene ben die moeilijk doet. Misschien zouden ze het begrijpen. Misschien zouden ze denken: stel je niet zo aan, het is maar één weekend.

Maar ik weet ook dat als ik nu toegeef, ik op vrijdagavond weer met dienbladen door mijn eigen woonkamer loop terwijl Kees iedereen welkom heet. En dat ik dan lach, omdat ik dat kan, en niemand ziet dat ik al weg wil voordat ze er zijn.

Vanmiddag ga ik naar mijn naailes. Kees heeft gezegd dat hij vanavond pasta maakt. Dat is geen vredesaanbod of zo; we moeten gewoon eten. Toch heb ik besloten dat ik aan tafel ga vragen wat hij precies nodig heeft om zich niet zo buitengesloten te voelen nu hij niet meer werkt. Ik weet alleen nog niet of hij daar antwoord op heeft. Ik heb dat zelf eerlijk gezegd ook niet altijd.