Na veertig jaar vriendschap durfde ik niet meer op te nemen als Marijke belde

Ik wist dat er iets niet klopte toen ik mijn telefoon op stil zette voordat ik onder de douche stapte.

Niet omdat ik geen zin had in Marijke. Althans, zo wilde ik het niet noemen. Maar ik wist dat, als ik hem aan liet, ik halverwege met nat haar naast de wasmand zou staan bellen. En dat ik daarna niet meer zou weten wat ik eigenlijk van plan was geweest die ochtend.

Marijke en ik kennen elkaar sinds 1981. Wij woonden toen allebei in een huurflat in Amersfoort, met baby’s die nooit tegelijk sliepen en mannen die bij dezelfde bank werkten. Mijn Willem en haar Henk gingen eerst samen tennissen, wij gingen met de kinderen naar de speeltuin, later kampeerden we jaren op dezelfde kleine camping in Frankrijk. Niet elk jaar even intensief, maar er was nooit gedoe. We hielpen elkaar bij verhuizingen, pasten op elkaars kinderen, zaten bij elkaars ouders op begrafenissen. Als iemand vroeg wie onze beste vrienden waren, noemden we zonder nadenken Henk en Marijke.

In november kreeg Henk de diagnose alvleesklierkanker. Hij was 71 en tot die tijd fitter dan Willem en ik bij elkaar. Hij fietste nog zonder elektrische ondersteuning naar de markt, maakte flauwe grappen over zijn cholesterol en ging door weer en wind naar zijn volkstuin.

Sindsdien is alles kleiner geworden. Hun huis, vooral. De woonkamer ruikt naar soep, medicijnen en soms naar die zoete geur die ik niet goed kan plaatsen. Er staat een hoog-laagbed beneden. Overal liggen folders van het ziekenhuis in Utrecht, schema’s van medicatie, post die niet opengemaakt is. Henk is meestal moe. Of misselijk. Of hij zit stil voor zich uit te kijken terwijl Marijke tegen hem praat alsof hard genoeg praten hem terug kan halen.

In het begin gingen Willem en ik vaak. Vanzelfsprekend. We brachten eten, reden mee naar afspraken als Marijke niet durfde, haalden boodschappen. Ik ging een keer met haar mee naar de oncologieverpleegkundige, omdat zij na vijf minuten alleen nog maar knikte en later niet meer wist wat er gezegd was.

Maar daarna bleef het doorgaan. Eerst belde ze om de dag. Toen dagelijks. Soms al om kwart over acht.

‘Ik moest gewoon even iemand spreken,’ zei ze dan.

En natuurlijk begreep ik dat. Wie zou ik zijn als ik daar geen begrip voor had? Ze was bang, ze sliep nauwelijks, haar kinderen wonen in Groningen en Den Bosch en hebben zelf werk en gezinnen. Ze kwamen geregeld, maar niet op een dinsdagmiddag als de pomp piepte of Henk ineens niet wilde eten.

Alleen werd ik op een gegeven moment ook haar agenda. Haar boodschappendienst. Haar geheugen. Als ik niet langskwam, vroeg ze of ik misschien even naar de apotheek kon, of ik wist hoe ze iets bij de thuiszorg moest regelen, of ik mee wilde denken over een brief van de zorgverzekeraar. Soms wilde ze alleen maar vertellen dat Henk die nacht drie keer naar de wc moest en dat zij daarom kapot was.

Dat laatste vond ik nog het moeilijkst. Want wat zeg je daarop? ‘Wat vreselijk’ hielp niet. Praktische oplossingen waren vaak ook verkeerd, want dan hoorde ze daarin dat ik haar wilde wegsturen naar instanties.

Willem ging aanvankelijk gewoon mee. Hij zat dan bij Henk voetbal te kijken, ook als Henk na tien minuten in slaap viel. Maar Willem kan beter naast iemand stil zijn. Ik niet. Marijke trok me steeds mee naar de keuken, naar boven om een stapel was te bekijken, naar de gang om te fluisteren over dingen die ze niet waar wilde hebben.

‘Jij bent de enige bij wie ik dit kwijt kan, Anja.’

Ze zei het als iets liefs. En ik nam het ook zo aan. Veel te lang.

In februari zei onze dochter, tijdens een etentje dat ik bijna had afgezegd omdat Marijke die middag zo overstuur was, dat ik er slecht uitzag. Onze kleindochter van vier wilde op schoot en ik merkte dat ik daar zelfs onrustig van werd. Ik zat ondertussen te denken of Henk die nieuwe medicijnen al had ingenomen.

Die avond zei Willem in bed: ‘Je moet niet alles zo in je hoofd halen.’

Ik werd daar boos om, terwijl hij het niet lelijk bedoelde.

‘Ik haal het niet in mijn hoofd, Willem. Het wordt erin gelegd.’

Hij draaide zich om en zei een tijd niets. Uiteindelijk zei hij: ‘Ze hebben ons nu nodig. Dat weet je toch?’

Ja. Dat wist ik. Juist daarom voelde elke keer dat ik niet ging als verraad.

Twee weken later belde Marijke op woensdagmiddag. Ik zat met een boek op de bank. Niet eens een bijzonder boek, gewoon een thriller van de bieb. Het regende al de hele dag en ik had nergens heen gehoeven. Ik was daar opvallend blij mee geweest.

‘Kun je komen?’ vroeg ze meteen. ‘Henk wil niks drinken en ik weet niet meer wat ik moet doen.’

Ik zei dat ze de thuiszorg moest bellen. Die kwamen die avond toch ook voor de medicatie. Marijke zuchtte zo diep dat ik haar bijna voor me zag staan.

‘Maar jij weet hoe hij reageert als er vreemde mensen zijn.’

Toen zei ik, en ik had het misschien anders moeten brengen: ‘Marijke, ik kan niet iedere keer meteen komen. Ik trek het niet meer zo goed.’

Het bleef even stil.

‘O,’ zei ze toen. Alleen dat.

Ik probeerde door te praten. Ik zei dat ik best twee vaste momenten per week wilde komen. Dat we met haar kinderen konden overleggen. Dat de huisarts misschien kon meedenken over extra ondersteuning, of een vrijwilliger van de hospicezorg voor wanneer het thuis te zwaar werd. Ik zei niet dat ik haar wilde afschuiven. Maar zo klonk het blijkbaar wel.

‘Dus nu moeten we vreemden binnenhalen omdat jij een middagje voor jezelf wilt,’ zei ze.

Ik voelde meteen dat ik iets terug wilde bijten. Iets over al die middagen, al die telefoontjes, het feit dat ik mijn eigen zus nauwelijks nog sprak omdat ik na Marijke geen woorden meer over had. Maar Henk lag beneden ziek te zijn. Dus ik zei alleen: ‘Zo bedoel ik het niet.’

‘Nee,’ zei ze. ‘Dat snap ik nu wel.’

Ze verbrak de verbinding.

Willem vond dat ik haar alsnog moest terugbellen en mijn excuses moest aanbieden. We kregen daar een afschuwelijke ruzie over, de eerste in jaren waarbij hij zijn jas pakte en een rondje is gaan lopen.

‘Als Henk er straks niet meer is, wat denk je dan dat zij onthoudt?’ zei hij voordat hij wegging. ‘Dat wij er niet waren toen het moeilijk werd.’

Maar ik dacht: wij waren er wel. Alleen hij bedoelt met “wij” blijkbaar vooral mij.

Ik ben de volgende ochtend toch gegaan. Met broodjes van de bakker en een bos tulpen waar ik me achteraf bijna voor schaamde. Marijke deed open in haar badjas. Ze keek ouder dan de dag ervoor.

Henk sliep. We dronken koffie aan de keukentafel. De tulpen bleven in het papier liggen.

Na een tijdje zei ze dat haar dochter had voorgesteld om een rooster te maken, zodat niet alles op haar neerkwam. ‘Alsof ik een project ben,’ zei ze.

Ik zei dat een rooster misschien juist kon voorkomen dat ze steeds iedereen moest bellen als er iets was.

Ze keek me aan. Niet boos, eerder moe en teleurgesteld.

‘Jij was nooit iemand die ik op een rooster hoefde te zetten.’

Daar zat alles in. De veertig jaar. De vakanties. De vanzelfsprekendheid. En ook een verwachting waarvan ik niet wist dat die zo groot was geworden.

Ik heb haar hand vastgepakt, maar ik heb niet beloofd dat ik weer elke dag zou komen. Dat kon ik niet meer, hoe naar ik het ook vond. We hebben uiteindelijk met haar kinderen gebeld. Er komt nu twee avonden per week iemand van de vrijwilligers palliatieve terminale zorg, als Henk dat toelaat. Ik ga op maandag en vrijdag. Soms ook extra, als ik het zelf kan.

Marijke belt nog steeds vaak. Niet meer elke ochtend. Soms laat ik hem overgaan en bel ik een uur later terug. Elke keer voelt dat klein en hard.

Henk is inmiddels zo verzwakt dat Willem gisteren alleen naar hem toe is gegaan. Ik bleef thuis en maakte stamppot voor ons tweeën. Toen Willem terugkwam, zei hij dat Henk had gevraagd waarom ik er niet was.

‘Wat heb je gezegd?’ vroeg ik.

Willem hing zijn jas op, veel langzamer dan anders.

‘Dat je vrijdag komt,’ zei hij.

Daarna warmde ik de stamppot opnieuw op, omdat hij inmiddels koud was geworden.