Ik bleef wachten tot mijn pleegouders eindelijk genoeg van me kregen
Het gekke is dat ik me van mijn moeder vooral haar jas herinner. Een donkerblauwe jas met zo’n pluizige kraag die altijd een beetje naar sigaretten en wasmiddel rook. Niet haar gezicht op de dag dat ze zei dat ik voorlopig ergens anders ging wonen. Ook niet precies wat ze tegen me zei. Alleen dat ik naast haar in de auto zat, met een vuilniszak vol kleren tussen mijn voeten, en dat ik boos was omdat mijn lievelingstrui er niet in zat.
Ik was zeven toen ik in een groep terechtkwam. Later hoorde ik woorden als ondertoezichtstelling, hulpverlening, perspectief, contactregeling. Toen snapte ik vooral dat volwassenen veel konden praten zonder echt antwoord te geven op de vraag die ik steeds stelde: wanneer ga ik weer naar huis?
Mijn moeder kwam eerst nog op bezoek. Soms. Ze nam dan chocola mee van de Action of een knuffeltje van een tankstation. Dan deed ze heel vrolijk, veel te vrolijk, en zei ze dat ik groot werd. Ik wist nooit of ik haar moest vasthouden of juist moest doen alsof het me niks kon schelen. Na een tijdje kwam ze minder vaak. Een keer wachtte ik de hele middag bij het raam van de groep, terwijl een begeleider steeds zei dat er misschien iets tussen was gekomen.
Mijn moeder belde die avond pas. Ik mocht vijf minuten met haar spreken op de telefoon in het kantoortje.
Ze huilde. Ik niet.
Ik zei alleen: “Maakt niet uit.”
Vanaf dat moment werd ik goed in doen alsof dingen me niet uitmaakten.
Ik zat uiteindelijk bijna vijf jaar in verschillende groepen. Niet omdat ik de hele tijd verschrikkelijk was, al was ik ook niet makkelijk. Ik kon ontploffen om iets kleins. Als iemand mijn beker gebruikte, bijvoorbeeld. Of als een nieuwe begeleider zei dat het bedtijd was en mijn naam verkeerd uitsprak. Dan schopte ik tegen deuren, liep weg van het terrein of gooide ik mijn tas door de gang.
Op school was ik nog erger. Daar kon ik tenminste publiek hebben. Ik stal een keer geld uit de jas van een docent, niet eens omdat ik iets wilde kopen. Ik wilde kijken hoe lang het duurde voor iedereen dacht dat ik het had gedaan. Toen dat gebeurde, voelde ik me vreemd genoeg opgelucht. Zie je wel, dacht ik. Jullie vinden mij toch al zo iemand.
Toen ik twaalf was, kwam er een plek bij pleegouders. Hanneke en Rob heetten ze. Zij woonden in een rijtjeshuis in Culemborg, met een kleine tuin en een oude rode kater die Sjaak heette. Het leek me meteen verdacht. Mensen met een kater die Sjaak heet, een mandje met fruit op tafel en een reserve-tandenborstel voor een kind dat ze amper kennen: daar klopt iets niet aan.
Hanneke werkte drie dagen in een verpleeghuis. Rob deed iets met installaties, ik wist nooit precies wat. Hij vertrok vroeg in een busje en kwam vaak met vieze handen thuis. Ze hadden geen kinderen. Dat vond ik misschien nog het engste. Ik dacht: als ik hun enige kind ben, kunnen ze ook honderd procent spijt van mij krijgen.
De eerste avond bij hen vroeg Hanneke of ik macaroni lustte.
“Wat maakt jou dat uit?” zei ik.
Ze keek niet boos. Ze pakte alleen twee pakken pasta uit de voorraadkast en zei: “Niet veel, maar het scheelt als je iets eet.”
Daar werd ik nog kwader van.
Ik testte alles. Ik vertelde op school dat Rob tegen me schreeuwde, terwijl hij één keer had gezegd dat ik mijn fiets niet midden op de stoep moest laten liggen. Ik gooide expres zijn werkschoenen in de kliko. Ik nam Hannekes pinpas uit haar portemonnee en verstopte hem achter de verwarming in mijn kamer. Twee dagen lang zei ik dat ik hem niet had gezien, terwijl zij haar bank belde en met rode vlekken in haar nek door het huis liep.
Toen ik hem uiteindelijk teruglegde, wist ze meteen dat ik het was. Ze stond in de keuken met die pas in haar hand. Ik verwachtte geschreeuw. Of dat ze de pleegzorgbegeleider zou bellen waar ik bij stond, zodat ik het kon horen.
Ze zei alleen: “Je hebt me echt laten schrikken, Noor.”
Ik haatte haar op dat moment. Niet omdat ze boos was, maar omdat ze verdrietig klonk.
Ik riep dat ze me dan maar terug moest sturen.
Rob zat aan tafel en keek naar zijn bord. Hij zei na een tijdje: “We gaan dit wel bespreken met Marije van pleegzorg. Een pinpas pakken is niet niks. Maar terugsturen omdat het moeilijk wordt, zo werkt het niet.”
“Dat zeggen jullie nu.”
“Ja,” zei hij. “Nu zeg ik het.”
Dat was alles. Geen mooie speech. Ik ben die avond in mijn kamer gaan zitten met de deur op slot. De volgende ochtend stond mijn boterham gewoon in een trommel op het aanrecht, met mijn naam erop in Hannekes ronde handschrift.
Ik wist niet wat ik daarmee moest.
Er waren daarna nog genoeg dingen. Ik liep op mijn veertiende een nacht weg nadat ik ruzie had gemaakt over een telefoon die om tien uur beneden moest liggen. Ik sliep bij een meisje uit mijn klas dat ik nauwelijks kende. Haar moeder belde uiteindelijk de politie omdat ze niet wist wie ik was en omdat ik niet wilde zeggen waar ik woonde. Rob kwam me ophalen. In de auto zei hij bijna niets.
Bij een rotonde vroeg ik: “Ben je boos?”
Hij keek voor zich uit. “Ja. Vooral omdat ik niet wist of je veilig was.”
Ik zei dat hij niet mijn vader was.
“Dat weet ik,” zei hij.
Daarna was het stil. Ik wachtte op het deel waarin hij zou zeggen dat hij dus ook geen verantwoordelijkheid voor me had. Maar dat kwam niet.
Ik ben nu 26 en woon al een paar jaar op mezelf in Utrecht. Klein appartement, absurd hoge huur, een balkon waar alleen mijn fietsbanden en een dode plant op passen. Ik werk bij een drogisterij en doe daarnaast een opleiding tot pedagogisch medewerker. Soms voelt dat bijna belachelijk. Alsof ik kinderen moet vertellen hoe ze met gevoelens om moeten gaan, terwijl ik nog steeds kan dichtklappen als iemand te lang niet terugappt.
Met mijn moeder heb ik af en toe contact. Niet veel. Ze stuurt op mijn verjaardag een berichtje met hartjes. Vorig jaar zag ik haar voor koffie. Ze zei dat ze toen zelf kapot was en niet wist hoe ze voor mij moest zorgen. Ik geloof dat dat waar is. Ik weet alleen niet of het iets beter maakt.
Hanneke en Rob zie ik nog steeds. Niet elke zondag of zo, daar zijn we allemaal niet echt van. Maar ik eet er geregeld mee, zeker als Hanneke stamppot maakt en te veel heeft gekookt. Sjaak is vorig jaar overleden. Ik heb harder gehuild om die kat dan ik van tevoren had gedacht.
Vorige maand had ik een rotdag op mijn werk. Een klant had tegen me geschreeuwd, mijn manager vond dat ik professioneler moest reageren en ik had het gevoel dat ik overal te veel was. Ik stond voor hun voordeur en wilde alweer omdraaien. Gewoon naar huis, gordijnen dicht, niemand lastigvallen.
Rob deed open voordat ik had aangebeld. Hij was blijkbaar net met de container bezig.
Hij keek naar me en zei: “Kom je eten? Hanneke heeft veel te veel nasi gemaakt.”
Ik zei ja, alsof dat de enige reden was dat ik daar stond.
Misschien was dat ook zo. Misschien hoef ik het nog niet beter uit te leggen.