Na veertig jaar vriendschap moest ik Marijke vragen om voorlopig niet meer langs te komen
Vorige maand stond er ineens een plastic bak met volkoren crackers, ongezouten noten en drie potjes supplementen op mijn aanrecht. Marijke had er met een zwarte stift briefjes op geplakt. ‘Voor de ochtend’, ‘niet na zes uur’ en ‘eerst even overleggen met de neuroloog’.
Ik stond ernaar te kijken met mijn jas nog aan. Buiten regende het, die van dat fijne motregen waar je overal nat van wordt zonder dat je het merkt. Marijke was alweer weg. Ze had een sleutel, al jaren. Wij hadden die van hen ook.
Veertig jaar geleden leerden Henk en ik Marijke en Kees kennen op de camping in Frankrijk. We hadden toen nog een oranje bungalowtent en onze kinderen waren klein. Kees hielp Henk toen de auto niet wilde starten. Marijke had pleisters voor de knie van onze oudste en binnen twee dagen aten we elke avond samen. Zo is het eigenlijk gebleven.
We hebben verjaardagen gevierd, scheidingen van anderen besproken, elkaar geholpen met verhuizen en in de jaren negentig zelfs drie zomers achter elkaar samen een huisje gehuurd in de Ardèche. Toen mijn moeder stierf, stond Marijke bij mij in de keuken aardappels te schillen zonder te vragen wat er moest gebeuren. Toen Kees een bypassoperatie kreeg, reed Henk wekenlang met haar naar het ziekenhuis in Zwolle.
Je hoeft na zo veel jaren niet uit te leggen dat je er voor elkaar bent. Dat is gewoon zo.
Vorig jaar begon mijn rechterhand te trillen. Eerst alleen als ik moe was, dacht ik. Later ook als ik rustig zat. Ik werd stijver, trager. De diagnose Parkinson kwam niet als een donderslag, want je voelt zelf wel dat er iets niet klopt. Maar het woord zelf viel toch hard. Alsof de neuroloog een zware doos midden op tafel zette en zei: hier, dit hoort vanaf nu bij jullie.
Marijke was mee naar die afspraak. Henk ook natuurlijk, maar Marijke had aangeboden te rijden omdat Henk slecht slaapt en ik geen gedoe wilde met parkeren bij het ziekenhuis. Achteraf denk ik dat daar iets verschoof. Zij maakte aantekeningen. Zij vroeg naar alternatieve behandelingen. Zij zei tegen de neuroloog: ‘Maar ze moet toch wel blijven bewegen?’
Alsof ik daar niet zelf zat.
In het begin vond ik het prettig. Eerlijk is eerlijk. Ik was moe van iedereen bellen, van folders lezen waar ik onrustig van werd, van goedbedoelde appjes. Marijke regelde dat we met z’n vieren naar een informatieavond van de Parkinson Vereniging gingen. Ze stuurde recepten door. Ze liep op dinsdag met mij een rondje door het park.
Maar dat rondje werd al snel iets waar ik verantwoording over moest afleggen. Als ik afzegde omdat ik gewoon geen zin had om met nat haar naar buiten te gaan, kreeg ik een berichtje: ‘Juist op de moeilijke dagen moet je doorzetten, Lies.’
Toen ik bij de bakker een saucijzenbroodje kocht, zei ze lachend: ‘Nou, dat past zeker niet in ons nieuwe regime?’ Ik lachte ook, want wat moet je anders. Thuis heb ik het broodje half koud opgegeten aan het aanrecht. Ik werd er boos om, terwijl ik wist dat het belachelijk klein was.
Het was niet alleen het eten. Marijke belde de praktijkondersteuner omdat ze vond dat mijn medicatie me te suf maakte. Ze had een lijst gemaakt met fysiotherapeuten die gespecialiseerd zouden zijn. Ze zei tegen mijn dochter, waar ik bij stond, dat zij beter niet steeds dingen voor mij moest overnemen omdat ik ‘zelfredzaam moest blijven’. Mijn dochter keek mij aan alsof ze wilde vragen of dit klopte. Ik zei niets.
Henk zei ook weinig. Dat neem ik hem kwalijk, maar ik snap hem ook.
Hij is altijd degene geweest die de dingen praktisch oplost. De cv-ketel, belastingaangifte, een lekkende kraan. Mijn ziekte kan hij niet oplossen. Als Marijke dan zegt dat ze de afspraak wel in de agenda zet of dat zij die ene goede podcast over voeding heeft gehoord, zie ik hem bijna letterlijk zijn schouders laten zakken. Even hoeft hij niet degene te zijn die alles onthoudt.
Op een woensdag kwam ik beneden en zaten Marijke en Henk aan de eettafel met mijn ziekenhuisbrief voor zich. Zij had hem uitgeprint, gemarkeerd en in een map gedaan. Ze hadden het over een ergotherapeut en over aanpassingen in huis. De traplift kwam zelfs ter sprake. Ik woon nog gewoon in een rijtjeshuis in Deventer, ik fiets nog naar de markt als het niet te druk is, en ineens werd er over mijn huis gepraat alsof ik er al niet meer echt woonde.
‘Ik wil geen traplift,’ zei ik.
Marijke keek op. ‘Nee schat, natuurlijk niet nu meteen. Maar je moet vooruitdenken.’
Dat “schat” maakte iets in mij los. Ik ben zevenenzestig. Ik ben niet haar kind. En ik ben ook niet ineens alleen maar een patiënt.
Die avond zei ik tegen Henk dat ik wilde dat Marijke een tijdje niet langskwam. Niet even minder vaak. Helemaal niet. Geen sleutel gebruiken, geen boodschappen voor de deur, geen afspraken namens mij maken.
Hij werd bleek. Hij zat met zijn kop thee in zijn handen en keek naar het tafelblad.
‘Lies, ze bedoelt het goed.’
‘Dat weet ik.’
‘En als het straks een slechte week is?’
‘Dan bel ik zelf iemand. Of jij belt iemand. Maar niet haar zonder dat ik het weet.’
Hij zei dat ik hard was. Ik zei dat hij mij liet verdwijnen omdat hij bang was. Daar schrok hij van. Ik ook. Het was niet helemaal eerlijk, want hij doet veel. Hij kookt vaker dan vroeger, hij legt mijn sokken klaar als mijn handen niet meewerken, en hij vraagt elke ochtend hoe ik heb geslapen. Maar juist omdat hij zo bang is, laat hij Marijke soms binnen op plekken waar ik haar niet wil hebben.
De volgende dag heeft hij haar gebeld. Ik hoorde alleen zijn helft van het gesprek vanuit de woonkamer. Eerst heel zacht, daarna steeds stiller.
Later zei hij dat Marijke had gehuild. Ze vond het kwetsend dat ze na alles wat ze voor ons gedaan had buitengesloten werd. Kees had op de achtergrond gezegd dat wij blijkbaar geen hulp konden verdragen. Henk zei dat hij daar niets op had geantwoord.
Sindsdien is het vreemd stil. Geen foto’s meer in onze groepsapp van Kees die met zijn camper ergens aan een meer staat. Geen voorstel voor koffie op zondag. Marijke heeft mijn sleutel door de brievenbus gedaan, in een envelop met alleen mijn naam erop. Geen kaartje.
Ik mis haar. Dat is misschien het stomme eraan. Ik mis haar stem, haar droge opmerkingen, het feit dat ze altijd precies wist waar de lucifers lagen als we in een vakantiehuisje zaten. Ik mis zelfs haar bemoeienis soms, op dagen dat ik bang ben en Henk boodschappen doet.
Maar vanmorgen heb ik zelf de neuroloog gebeld omdat ik vragen had over mijn medicatie. Mijn hand trilde terwijl ik het nummer intoetste. Daarna heb ik koffie gezet, gewone koffie, en een boterham met kaas gegeten. Niet volgens een schema. Gewoon omdat ik daar trek in had.
Henk kwam naast me zitten en vroeg of hij Marijke misschien over een paar weken een bericht mocht sturen.
Ik heb gezegd: ‘Misschien. Maar niet om te doen alsof er niks gebeurd is.’
Hij knikte. Daarna zaten we een tijdje stil aan tafel, allebei luisterend naar de regen tegen het raam.