Na zijn pensioen wilde mijn man ons huis voor altijd klaar maken, maar ik wilde eindelijk weer iets van mezelf maken
Sinds Kees met pensioen is, staat hij bijna elke ochtend vóór half acht al in de tuin. Ook als het regent. Dan trekt hij zijn oude blauwe werkjas aan, zet een mok koffie op de rand van de tuintafel en loopt eerst een rondje langs het huis alsof hij inspecteur is van iets heel belangrijks.
Hij kijkt naar de voegen, naar de schutting, naar het dak van het schuurtje. Laatst bleef hij een kwartier bij de achterpui staan omdat er een klein randje kit losliet.
“Dat moet voor de winter,” zei hij.
Het was begin juni.
We wonen hier al tweeëndertig jaar, in een vrijstaand huis aan de rand van Barneveld. Toen we het kochten, was het eigenlijk te groot voor ons. Dat zei mijn moeder nog. Maar Kees werkte toen bij een installatiebedrijf en ik in de thuiszorg, we hadden twee jongens die ruimte nodig hadden en we dachten, zoals iedereen denkt als hij veertig is, dat later vanzelf wel duidelijk wordt wat je met al die kamers moet.
Later is nu.
De jongens wonen in Utrecht en Deventer. Ze komen heus wel, maar niet elk weekend. De oudste heeft een meisje van drie, Noor, en als zij hier is, vindt ze de tuin prachtig. Ze rent naar de kippen van de buren en wil iedere keer in de oude zandbak die Kees allang had willen weghalen. Maar na een middag is ze moe, haar ouders ook, en dan rijden ze weer terug naar hun eigen leven.
Ik gun Kees zijn plezier. Echt. Hij heeft veertig jaar lang gewerkt, vaak vroeg weg, soms storingsdienst, altijd bezig met dingen die kapot waren bij andere mensen. Hij was degene die de cv-ketel verving, de schuur schilderde en mijn vader hielp toen die nog leefde. Als er iets moest gebeuren, zei iedereen: vraag Kees even.
Maar sinds hij thuis is, lijkt het alsof er nooit meer iets af mag zijn.
In maart kwam hij met een map van een aannemer aan de keukentafel zitten. Nieuwe dakisolatie, kunststof kozijnen aan de achterkant, de badkamer toekomstbestendig maken, zonnepanelen erbij, de garagevloer laten coaten. Het ging om ruim zestigduizend euro. Misschien meer, zei hij, want bij oude huizen kom je altijd dingen tegen.
Ik keek naar die bedragen en ik voelde niet alleen schrik. Ik voelde ook iets waar ik me een beetje voor schaamde: tegenzin. Niet tegen het geld zelf, al is dat natuurlijk veel geld. Meer tegen het idee dat wij de komende jaren weer helemaal in dienst zouden staan van dit huis.
Ik zei dat we misschien eerst moesten nadenken of we hier wel wilden blijven wonen.
Kees keek me aan alsof ik had voorgesteld om de hond weg te doen. We hebben niet eens een hond.
“Waarom zouden we weggaan?” vroeg hij. “We hebben alles hier. Geen huur, geen gedoe met een VvE, een tuin, plek voor de kinderen.”
“Maar de kinderen wonen hier niet.”
Dat kwam harder eruit dan ik wilde.
Hij zei niets. Hij sloeg de map dicht, heel rustig. Juist dat rustige van hem kan me soms zo kwaad maken.
De waarheid is dat ik al langer aan iets anders denk. Niet aan scheiden of zo, dat denken mensen snel als je zegt dat je opnieuw wilt beginnen. Ik wil gewoon niet dat mijn leven na mijn zestigste kleiner wordt. Ik heb jarenlang geroepen dat ik ooit Spaans wilde leren. Ik wilde vroeger illustraties maken, gewoon met potlood en aquarel, maar daar kwam nooit iets van. Eerst de kinderen, toen werk, toen mijn moeder die hulp nodig had. Daarna was er altijd wel iets.
Sinds ik minder ben gaan werken bij de thuiszorg, volg ik op dinsdagavond een tekenles in het cultureel centrum. De eerste keer zat ik daar met mijn jas nog aan, tussen vrouwen die al jaren schilderden en een stille man met een enorme doos pastelkrijt. Ik voelde me belachelijk oud en onhandig. Maar ik kwam thuis met verf onder mijn nagels en ik was vrolijker dan ik in tijden was geweest.
Via die cursus raakte ik aan de praat met Marijke. Zij is vorig jaar weduwe geworden en gaat in het najaar zes weken naar Tavira, in Portugal. Niet op zo’n georganiseerde seniorenreis, gewoon een appartementje huren. Ze vertelde dat er daar allerlei mensen overwinteren, dat je mee kunt wandelen, dat er taallessen zijn en dat je ook prima een dag niemand hoeft te spreken.
Die avond heb ik, veel te enthousiast misschien, zitten rekenen. Als we drie maanden zouden gaan, van januari tot april, konden we het betalen zonder onze spaarrekening leeg te trekken. We zouden de verwarming laag zetten, iemand vragen af en toe te kijken, klaar.
Ik wist al dat Kees niet meteen zou juichen. Daarom wachtte ik een paar dagen. Toen hij op zaterdagmiddag binnenkwam met modder aan zijn schoenen en begon over drainage langs de garage, legde ik mijn uitgeprinte voorstel op tafel.
Hij las het. Eerst zei hij niets.
Toen vroeg hij: “Drie maanden?”
Ik zei ja.
“En wie gaat er dan op het huis passen?”
“Mijn zus kan een sleutel krijgen. Of we vragen de buren. Er zijn genoeg mensen die dat doen.”
Hij schudde zijn hoofd. “Je laat een huis als dit niet drie maanden achter. Stel dat het vriest. Stel dat er een lekkage is. En dan die kosten, Els. We weten niet hoe oud we worden.”
Dat laatste vond ik gemeen, ook al bedoelde hij het waarschijnlijk niet zo. Alsof je pas geld mag uitgeven wanneer je zeker weet dat je niet meer lang hebt.
Ik zei dat we ook niet weten hoe fit we blijven. Dat ik nu nog een koffer kan tillen en zin heb om ergens wakker te worden waar ik niemand ken. Hij zei dat ik deed alsof hij mij gevangen hield.
Dat deed ik niet. Of misschien een beetje wel.
Het gesprek ontspoorde pas echt toen hij zei dat hij die verbouwing niet voor zichzelf wilde, maar voor ons. Voor later. Voor de kinderen misschien. Ik hoorde mezelf lachen, kort en naar.
“De kinderen willen helemaal geen huis met achttienhonderd vierkante meter grond,” zei ik. “Die willen niet eens een huis mét tuin. Die willen dichtbij een station wonen.”
Kees werd wit om zijn neus. Hij pakte zijn sleutels en ging zonder jas aan naar buiten. Ik heb hem vanuit het raam bij de hortensia’s zien staan. Hij deed niets. Hij stond daar alleen maar, met zijn handen in zijn zakken.
Sindsdien zijn we beleefder tegen elkaar dan normaal. Dat is misschien nog vermoeiender. Hij vraagt of ik koffie wil. Ik vraag of hij boodschappen nodig heeft. ’s Avonds kijken we naar dezelfde programma’s, maar allebei op onze eigen hoek van de bank.
Vorige week had hij een makelaar gebeld, niet om te verkopen maar om te vragen wat het huis waard was na renovatie. Hij vertelde het alsof het een neutraal feitje was. Ik heb diezelfde middag naar appartementen gekeken in Amersfoort, gelijkvloers, met een balkon en een lift. De meeste waren kleiner dan onze woonkamer plus keuken. Ik kreeg er benauwd van, maar ook opgelucht.
Gisteren zei Kees ineens dat hij misschien wel mee wil naar Portugal, maar geen drie maanden. Drie weken, maximaal. En pas als de badkamer gedaan is.
Ik wilde meteen zeggen dat hij dus weer alles naar zich toe trok. Dat drie weken geen oplossing is voor wat ik voel. Maar hij keek zo moe. Niet boos, gewoon moe. Alsof hij ook niet wist wat hij moest met al die lege uren die ineens van hem zijn.
Ik heb alleen gezegd dat we er zondag nog eens rustig naar kijken.
Vanmorgen lag de offerte van de aannemer op het aanrecht, met daarnaast mijn uitgeprinte appartement in Tavira. Kees had bij allebei met potlood kleine berekeningen gezet. Bij Portugal stond: “wel zon.”
Ik weet niet of dat een grapje was. Maar ik heb het papiertje niet weggegooid.