Na 32 jaar samen op vakantie voelt onze vriendschap ineens als iets waar voorwaarden aan zitten
Het begon eigenlijk met een berichtje in onze gezamenlijke WhatsApp-groep, ergens in januari. Henk stuurde een foto van vier verhuisdozen bij de kringloop in Amersfoort. Daarin zaten volgens hem servies, boeken, een koffiezetapparaat en “allerlei ballast waar iemand anders misschien nog wat aan heeft”.
Marja reageerde met een duimpje. Mijn vrouw Ingrid stuurde: “Lekker opgeruimd!” Ik schreef niets, hoewel ik het een beetje vreemd vond. Henk was altijd degene die voor vertrek naar Frankrijk nog een nieuw campingstoeltje kocht omdat de oude misschien niet lekker genoeg zat. Niet overdreven, maar hij hield wel van gemak. Net als wij allemaal, eerlijk gezegd.
We kennen Henk en Marja al ruim tweeëndertig jaar. Onze kinderen zaten vroeger bij elkaar in de klas in Soest. Eerst waren het speelafspraken en koffie aan de keukentafel, later barbecues, verjaardagen, kerstbrunches. Toen de kinderen het huis uit waren, bleven wij over. Niet op een zielige manier. We waren gewoon een vast clubje van vier geworden.
Elke zomer huurden we een huisje, meestal in Frankrijk of Noord-Italië. Geen villa met zwembad en een kok, gewoon iets comfortabels met twee badkamers, een terras en een supermarkt binnen tien minuten rijden. Henk kookte dan pasta voor te veel mensen, Marja nam altijd een hele tas tijdschriften mee die ze nauwelijks las, en Ingrid en ik gingen ’s ochtends brood halen. Het waren van die vakanties waar je achteraf niet eens één groot hoogtepunt van weet, maar waar alles vertrouwd was.
Henk ging vorig jaar met pensioen bij de gemeente. Hij had lang naar dat moment uitgekeken, maar ik denk dat hij er ook van schrok. Binnen twee maanden verkocht hij zijn motor, zegde hij zijn golfabonnement op en begon hij filmpjes te kijken over consuminderen en leven met minder. Prima, dacht ik. Iedereen zoekt iets als het werk wegvalt.
Alleen werd het steeds minder een hobby en steeds meer een manier waarop hij naar ons keek.
Toen we in maart in ons vaste eetcafé zaten, bestelde Ingrid een glas sauvignon blanc. Henk zei lachend: “Nou, die wijnkaart is tegenwoordig ook een soort hypotheekaanvraag.” Het was niet eens hard gezegd. Maar daarna vertelde hij twintig minuten hoe absurd hij het vond dat mensen tachtig euro uitgaven aan een maaltijd terwijl er thuis eten in de koelkast lag.
Ik zei nog: “Maar we gaan niet elke week uit eten, Henk. Het is gewoon gezellig.”
Hij haalde zijn schouders op. “Gezelligheid is gratis, hoor. Daar heb je geen truffelmayonaise voor nodig.”
Marja keek naar haar bord. Ingrid werd stil. Ik bestelde daarna uit koppigheid nog een cappuccino, wat kinderachtig was. Dat weet ik best. Maar ik voelde me ineens iemand die zich moest verantwoorden voor een uitsmijter en een glas wijn.
Daarna gebeurden er allemaal van die kleine dingen. Met Pasen wilden we, zoals altijd, samen brunchen. Henk stelde voor dat iedereen één boterham van huis meenam en dat we in het bos zouden gaan wandelen met een thermoskan thee. Op zichzelf een prima plan, alleen zei hij erachteraan dat we “misschien eens moesten afleren dat samenzijn altijd om eten en geld uitgeven draait”.
Ingrid zei later thuis: “Hij doet alsof wij elke dag bij de Bijenkorf staan te pinnen.” En dat is ook niet zo. We wonen in een rijtjeshuis waar de badkamer al vijf jaar op de planning staat. Ik heb na mijn werk bij een installatiebedrijf geen gouden pensioenpot. We doen leuke dingen omdat we daar jarenlang voor gewerkt hebben, en omdat je op onze leeftijd ook wel weet dat later niet vanzelf komt.
Het lastigste is dat Henk soms gelijk heeft. Ik heb genoeg spullen die ik niet nodig heb. Ik bestel te makkelijk iets online. We vliegen waarschijnlijk vaker dan noodzakelijk. Maar gelijk hebben is iets anders dan iemand het gevoel geven dat hij minder bewust, minder verstandig of minder goed bezig is.
In april moesten we de zomervakantie vastleggen. We hadden al jaren een huisje in de Ardèche op het oog: niet goedkoop, maar voor twee weken met z’n vieren haalbaar. Marja had het zelfs al doorgestuurd. Ingrid was enthousiast, ik ook. Toen kwam Henk met een alternatief: een natuurcamping in de Vogezen, alleen met een kleine tent per stel en een gemeenschappelijk sanitairgebouw.
“Geen zwembad, geen airco, geen gedoe,” schreef hij. “Gewoon terug naar de basis. En voor een fractie van de prijs.”
Ik belde hem in plaats van in de app te reageren. Ik wilde niet dat er weer van alles verkeerd gelezen werd.
Hij nam op met zijn gebruikelijke opgewekte stem. Ik zei dat kamperen in een tent voor ons niet echt vakantie meer was. Mijn rug speelt op, Ingrid slaapt slecht als het koud is en eerlijk gezegd heb ik ook geen behoefte om ’s nachts met een zaklamp over een modderig pad naar de wc te lopen.
Hij zuchtte meteen. Niet boos, meer teleurgesteld.
“Ja, maar je kunt natuurlijk ook besluiten dat je dat ongemak niet nodig hebt om gelukkig te zijn.”
Daar ging het mis bij mij. Ik zei: “En jij kunt natuurlijk ook besluiten dat mensen niet ongelukkig of oppervlakkig zijn omdat ze een normaal bed en een koelkast op vakantie prettig vinden.”
Het bleef daarna even stil. Hij zei dat hij dat niet beweerde. Ik zei dat hij het de hele tijd wel zo liet voelen. Dat vond hij onredelijk. Misschien was het ook onredelijk hoe scherp ik was, maar het zat al maanden vast.
Sinds dat telefoontje is de groep stil. Marja stuurde Ingrid apart dat Henk zoekende is, dat hij bang is om na zijn pensioen doelloos te worden en dat dit nieuwe leven hem houvast geeft. Ik geloof dat direct. Henk is geen slechte man. Hij heeft ons door een moeilijke tijd geholpen toen mijn vader in het verpleeghuis terechtkwam. Hij stond zonder vragen mijn schutting te repareren na die storm. Als ik hem nodig had, was hij er.
Maar ik vind niet dat zijn zoektocht automatisch onze opdracht wordt.
Ingrid wil de vakantie nu gewoon met z’n tweeën boeken. Ze zegt dat we Henk en Marja kunnen uitnodigen als ze van gedachten veranderen, maar ik weet dat zoiets niet werkt. Dan maak je van een vriendschap een logistiek probleem, en daaronder zit iets veel groters.
Vorige week kwamen we Marja tegen bij de Albert Heijn. Ze had havermout en een net sinaasappels in haar mandje, meer niet. We praatten over het weer, over onze dochter die misschien gaat verhuizen. Heel normaal. Bij het afscheid zei ze: “Ik mis het wel, hoor. Dat gewone gedoe van ons.”
Ik zei dat ik dat ook miste. Meer kwam er niet.
Vanmiddag heb ik toch dat huisje in de Ardèche geboekt, voor Ingrid en mij. Twee slaapkamers, wat eigenlijk onnodig is. Toen ik op bevestigen drukte, voelde ik opluchting en verdriet tegelijk. Ik heb Henk nog niet verteld dat we gaan. Misschien doe ik dat morgen. Misschien wacht ik tot hij ernaar vraagt.
Dat vind ik misschien nog het pijnlijkst: vroeger hoefden we dit soort dingen niet te wegen.