Mijn vrouw wil onze vakantiespaarpot gebruiken voor haar depressieve vriendin, en ik weet niet meer waar vriendschap ophoudt

Ik wist pas hoe stil ons huis kon zijn toen Marjan er bijna niet meer was.

Niet letterlijk natuurlijk. Ze woont hier gewoon, haar jas hangt over de leuning van de eetkamerstoel en ze laat nog steeds overal leesbrillen liggen. Maar sinds november is ze drie dagen per week bij Els. En de laatste tijd ook steeds vaker op zaterdag of zondag, “even kijken hoe het gaat”.

Els en Henk kennen we al sinds 1988. We woonden toen allebei in dezelfde nieuwbouwwijk in Amersfoort, met jonge kinderen, te hoge hypotheekrente en van die grenen eettafels die iedereen had. We gingen kamperen in Frankrijk, vierden oud en nieuw samen, stonden bij elkaars ouders op begrafenissen. Henk en ik speelden jarenlang op zaterdag tennis. Els en Marjan belden elkaar soms drie keer op een dag, over niks en alles.

Toen Henk vorig jaar zei dat hij wilde scheiden, kwam dat zelfs voor ons onverwacht. Hij had iemand anders ontmoet, een vrouw van zijn werk. Ik ben daar nog steeds boos over, al weet ik dat het niet mijn huwelijk was. Els bleef in het huis in Leusden wonen, maar het huis werd te duur. Henk wilde volgens mij best redelijk afrekenen, alleen Els raakte volledig de weg kwijt. Ze vergat rekeningen te betalen, nam de telefoon niet meer op en lag sommige dagen tot de middag in bed.

Marjan zei in het begin: “Ik kan haar toch niet aan haar lot overlaten?”

Daar had ik niks tegenin te brengen. Dat wilde ik ook niet. Ik heb Els altijd gemogen. Ze is geen aanstelster. Juist daarom schrok ik toen ik haar in december zag. Ze had een vest aan dat volgens Marjan al dagen niet uit was geweest. Op tafel stonden ongeopende enveloppen van de gemeente, de zorgverzekering, de bank. In de gootsteen lag een pan met iets erin dat ik niet wilde herkennen.

Dus ging Marjan helpen. Eerst op maandagmiddag. Daarna ook op woensdag en vrijdag. Ze maakte een lijstje met post, belde met instanties als Els er zelf niet uitkwam en zorgde dat er gegeten werd. Ze dronk koffie met haar, liep een rondje door het bos, zat soms gewoon naast haar op de bank terwijl Els huilde.

Ik vond het pijnlijk om jaloers te zijn op iemand die zo diep in de put zat. Maar ik was het wel, een beetje. Niet omdat ik Marjan ieder uur van de dag nodig heb. We zijn al ruim veertig jaar getrouwd, we hoeven niet constant aan elkaar te hangen. Alleen: we waren net allebei minder gaan werken. Ik ben vorig voorjaar gestopt bij de technische dienst van het ziekenhuis. Marjan werkt nog twee ochtenden bij de bibliotheek, maar verder zouden we eindelijk tijd hebben. Fietsen als het weer goed was. Eens naar een museum zonder dat er meteen kleinkinderen opgehaald moesten worden. In september hadden we het plan om drie weken met de auto naar de Ardèche te gaan. Niet spectaculair, maar iets van ons samen.

Die plannen verdwenen zonder dat iemand het hardop besloot.

Als ik vroeg of we zaterdag naar mijn broer in Zwolle zouden gaan, zei Marjan vaak: “Ik moet eerst even bij Els langs, ze heeft een slechte nacht gehad.” Als we bij onze dochter gingen eten, zat Marjan geregeld met haar telefoon op schoot. Els appte dan dat ze het niet trok of dat ze bang was om alleen te zijn.

Een keer zei ik daar iets van in de auto naar huis. Niet eens netjes, geloof ik.

“Ze heeft inmiddels meer invloed op ons weekend dan wijzelf.”

Marjan keek uit het raam. “Wat wil je dan? Dat ik zeg dat ze maar moet ophouden met zich zo voelen?”

“Nee. Maar er bestaat ook hulp voor dit soort dingen. De huisarts, de praktijkondersteuner, maatschappelijk werk. Jij bent haar vriendin, geen hulpverlener.”

“Alsof ik dat niet weet.”

Ze zei het zacht, en juist daardoor voelde ik me meteen de botte lul in het verhaal.

Els is wel bij de huisarts geweest. Ze heeft antidepressiva gekregen en staat, geloof ik, op een wachtlijst voor gesprekken. Ik weet niet precies hoe dat loopt. Marjan zegt dat Els dichtklapt zodra er een vreemde tegenover haar zit. Dat kan ik me zelfs voorstellen. Alleen lijkt het alsof dat vervolgens betekent dat Marjan alles moet opvangen tot er ooit ruimte is bij iemand anders.

In februari kreeg ik zelf last van mijn hart. Geen hartaanval, gelukkig. Hartritmestoornissen, waarschijnlijk mede door stress volgens de cardioloog. Ik moest rustiger aan doen, minder koffie, meer wandelen. Marjan was bezorgd, echt wel. Ze ging mee naar het ziekenhuis. Maar twee dagen later zat ze alsnog bij Els omdat er een brief van de hypotheekverstrekker was gekomen waar Els van in paniek raakte.

Toen heb ik voor het eerst gezegd dat ik me alleen voelde in mijn eigen huis.

Marjan begon meteen te huilen. Ze zei dat ze overal tekortschiet: bij Els omdat ze haar niet beter kan maken, bij mij omdat ze er niet genoeg is, bij de kinderen omdat ze minder oppast. Ik heb haar toen vastgehouden en gezegd dat ik niet wilde dat ze zich schuldig voelde. Dat was ook waar. Maar het loste niks op.

Het ergste gesprek was vorige week aan de keukentafel. Ik was de administratie aan het doen. We hebben geen vet pensioen. We redden ons prima, maar ons huis moet over een paar jaar waarschijnlijk aangepast worden als mijn knie verder achteruitgaat, en we willen niet bij alles afhankelijk zijn van de kinderen. Op onze spaarrekening staat geld voor de vakantie en als buffer. Geen enorm bedrag, maar wel van ons.

Marjan had net met Els gebeld. Els bleek een achterstand te hebben bij de energie en een paar rekeningen van de advocaat. Niet gigantisch, zei Marjan, maar groot genoeg om haar wakker te houden.

Toen zei ze: “Misschien kunnen wij haar tijdelijk drieduizend euro lenen. Of geven. Ik weet het nog niet.”

Ik dacht eerst dat ik haar verkeerd verstaan had.

“Geven?” vroeg ik.

“Ja, Kees. Ze zit echt vast.”

Ik voelde iets dichtklappen. Niet omdat ik Els geen bedrag gun. Als zij morgen boodschappen nodig heeft, betaal ik die zonder er moeilijk over te doen. Maar drieduizend euro uit onze buffer, terwijl Henk alimentatie betaalt en Els ook nog een huis moet verkopen of iets moet regelen? Waar stopt het dan?

Ik zei dat ik daar niet mee akkoord ging. Harder dan ik wilde.

Marjan zei dat geld blijkbaar belangrijker voor me was dan een mens.

Dat deed pijn, vooral omdat zij weet hoe ik ben. Ik heb jarenlang mijn eigen vader geholpen nadat mijn moeder overleed. Elke zondag boodschappen, klusjes, afspraken in het ziekenhuis. Maar ik heb toen ook geleerd hoe je langzaam kunt verdwijnen in iemands nood. Mijn vader wilde op een gegeven moment voor alles bellen. Als ik een keer niet kon, werd hij stil en zielig. Ik ging dan toch. Achteraf was ik boos op hem, terwijl hij vooral bang was.

Ik zei tegen Marjan: “Ik wil Els niet laten vallen. Maar ik wil ook niet dat wij straks twee mensen zijn die elkaar kwijtraken omdat er altijd iemand anders tussen zit.”

Ze antwoordde niet. Ze vouwde alleen de theedoek op, heel precies, terwijl hij al droog was.

Sindsdien slapen we niet ruzieënd, maar ook niet echt goed. Marjan is vandaag weer bij Els. Ze zou alleen de post doen, zei ze. Het is nu half zes. De aardappels staan nog ongeschild op het aanrecht en ik heb geen idee of ze mee-eet.

Vanmorgen heb ik zelf de huisartspraktijk gebeld, niet namens Els, want dat kan natuurlijk niet. Ik heb gevraagd welke mogelijkheden er globaal zijn voor iemand die na een scheiding depressief is en de administratie niet aankan. De assistente was vriendelijk maar kon weinig zeggen. Wel noemde ze de praktijkondersteuner en schuldhulpverlening via de gemeente. Ik heb die namen op een briefje gezet.

Misschien vindt Marjan dat bemoeizuchtig. Misschien heeft ze gelijk. Maar ik wil vanavond voorstellen dat we samen met Els gaan zitten en kijken wat er buiten ons geregeld kan worden. En dat we afspreken welke dagen Marjan gaat, in plaats van dat iedere paniek-app onze planning bepaalt.

Over het geld wil ik geen ja zeggen omdat ik onder druk sta. Dat voelt voor mij niet als gul zijn. Dat voelt als bang zijn voor haar verdriet.

Ik hoor nu de voordeur. Marjan zegt niks. Ze zet haar tas neer en vraagt alleen of ik al gegeten heb.

Ik zeg nee. Ze kijkt naar de aardappels, trekt haar jas nog niet uit en zegt: “Els heeft vanmiddag gevraagd of ze zondag bij ons mag komen.”

Ik sta op om de pan op te zetten. Meer krijg ik er op dat moment niet uit.