Na veertig jaar vriendschap voelde ‘even helpen’ ineens als een tweede baan

Ik had de koelbox al uit de berging gehaald toen Henk belde.

Dat klinkt als een onbelangrijk detail, maar voor mij stond die koelbox voor iets groters. Bas en ik zouden voor het eerst in jaren drie weken met de caravan weggaan zonder dat er iets omheen gepland was. Geen verjaardag halverwege, geen oppasdagen voor de kleinkinderen, geen afspraak bij de mondhygiënist die toevallig precies in die periode viel. Gewoon naar Drenthe, daarna misschien nog een paar dagen Duitsland. We hadden niet eens alles vastgelegd. Dat was nou juist het fijne.

Henk en Marja kennen we sinds 1981. Bas werkte toen bij de gemeente in Haarlem, Henk op dezelfde afdeling. Ik weet nog dat Marja en ik bij de eerste barbecue vooral deden alsof we het heel gezellig vonden, omdat onze mannen meteen over bestemmingsplannen begonnen. Maar het werd echt gezellig. We gingen jarenlang samen kamperen, eerst met tenten en kleine kinderen die om zes uur al door het gras renden. Later met vouwwagens. We waren bij elkaars ouders op de begrafenis, hebben elkaars kinderen zien afstuderen, scheidingen van familieleden besproken aan onze keukentafel alsof we er zelf middenin zaten.

Als iemand vroeger had gezegd dat ik een keer niet wilde opnemen wanneer Henk belde, had ik diegene uitgelachen.

Maar de laatste anderhalf jaar gebeurde dat soms wel.

Het begon onschuldig. Henk wilde inloggen bij MijnOverheid en zijn DigiD deed het niet. Bas ging langs, want Henk raakte daar echt van in paniek. Daarna was er iets met de nieuwe televisie. Toen een afspraak in het Spaarne Gasthuis waarvoor Marja niet mee kon omdat ze last van haar knie had. Daarna vroeg Henk of ik even mee wilde kijken naar een mail van de bank, omdat hij bang was dat het phishing was.

Dat wás ook phishing trouwens. Dus dan denk je: goed dat hij belde.

Alleen, er kwam geen einde aan. Elke keer was het iets kleins. Een printer die ineens offline stond. Een brief van de gemeente die hij niet begreep, hoewel er eigenlijk alleen in stond dat hij zijn paspoort kon ophalen. Een rit naar de garage. Of hij bij ons kon eten omdat Marja een avond naar haar zus moest. En soms belde hij helemaal niet voor een praktische vraag. Dan zei hij alleen: “Ik zit een beetje te malen, Nel.”

Dan kon hij twintig minuten vertellen dat hij zich nutteloos voelde sinds hij met pensioen was. Daar had ik echt medelijden mee. Henk was altijd iemand die op kantoor overal tussendoor liep, overal een mening over had, altijd nodig was. Nu was zijn agenda leeg en Marja had juist haar eigen dingen: yoga op dinsdag, oppassen op donderdag, een leesclub waar Henk een beetje smalend over deed.

Bas zei in het begin steeds: “Hij moet gewoon wennen.”

Maar Bas was ook degene die op zaterdagochtend zijn koffie koud liet worden omdat Henk niet wist hoe hij een pdf moest opslaan.

Ik zei er niet veel van. Misschien omdat ik Marja ook zielig vond. Zij klonk de laatste tijd vaak moe aan de telefoon. Als ik vroeg hoe het ging, zei ze: “Ach ja, Henk heeft veel aan zijn hoofd.” Alsof hij nog steeds een drukke baan had, terwijl het vooral ging over een appje van zijn zoon waarop hij nog geen antwoord had gekregen.

In april hadden Bas en ik eindelijk gezegd dat we het anders wilden doen. Niet in één groot gesprek, gewoon in kleine stukjes. Als we niet konden, zouden we niet meteen alles laten vallen. Bas zette de meldingen van Henk tijdelijk uit als we aan het fietsen waren. Ik nam niet meer standaard op na negen uur ’s avonds.

Dat viel niet goed.

Een keer vroeg Henk of Bas mee wilde naar een afspraak bij de hypotheekadviseur. Hij wilde misschien een overwaardehypotheek opnemen voor wat verbouwingen. Bas zei dat hij die middag al met onze dochter en de kleinkinderen naar Artis zou gaan.

Henk zei: “Nou, laat maar. Ik regel het wel alleen.”

Bas antwoordde nog dat het hem prima leek om een andere dag mee te denken, maar Henk was ineens heel kort. Die avond kreeg ik een bericht van Marja: Henk was gekwetst, want hij had Bas juist nodig gehad.

Ik heb toen veel te lang naar dat bericht gekeken. Alsof ik moest bewijzen dat wij goede mensen waren.

De week erna kwam Henk bij ons koffie drinken. Hij deed aanvankelijk normaal. Hij nam twee gevulde koeken mee van de bakker, precies zoals vroeger. Daarna zei hij, zonder Bas echt aan te kijken: “Je merkt pas wie je vrienden zijn als je ouder wordt.”

Bas werd rood in zijn nek. Dat gebeurt als hij boos is en probeert rustig te blijven.

“Dat is wel een beetje flauw, Henk,” zei hij.

“Flauw? We kennen elkaar veertig jaar. Dan vraag ik één keer iets en dan heeft meneer het te druk met Artis.”

“Het was niet één keer.”

Toen werd het stil. Marja zat erbij en begon aan het plastic van haar koek te frummelen. Ik vond het vreselijk. Ik dacht aan alle jaren waarin we zonder nadenken elkaars reservehuissleutel hadden, waarin Henk onze zoon naar het ziekenhuis reed toen hij zijn arm had gebroken, waarin Marja drie avonden bij mijn moeder zat toen ik zelf griep had.

Maar ik dacht ook aan onze agenda op de koelkast. Alles wat we eigenlijk voor onszelf wilden doen, stond er met potlood in omdat het steeds verplaatst werd.

Vorige week belde Henk opnieuw. Hij heeft sinds kort het plan opgevat om een boekje te maken over de geschiedenis van de straat waar ze wonen. Hij had oude foto’s verzameld, mensen gesproken, van alles. Eerlijk gezegd vind ik het een leuk idee. Hij was er helemaal van opgeknapt.

Alleen wilde hij in de tweede week van onze vakantie langs bewoners in verschillende dorpen om verhalen op te halen. Marja wilde niet mee; haar knie speelde weer op en volgens haar was Henk inmiddels zo fanatiek dat hij niet te stoppen was. Henk vroeg of Bas wilde rijden. En of ik misschien de gesprekken kon opnemen en later een beetje uitwerken, want ik had vroeger op school toch altijd “iets met taal” gedaan.

Ik zei dat we dan weg zouden zijn.

Hij wist dat natuurlijk. Hij had zelf nog gezegd dat Drenthe hem niks leek omdat het daar zo plat was.

“Je kunt toch een paar dagen later vertrekken?” zei hij. “Of even terugkomen? Dit is echt belangrijk voor me.”

Ik voelde Bas naast me op de bank bewegen, zo’n klein zuchtje door zijn neus. Ik had de telefoon op luidspreker gezet omdat ik aardappels stond te schillen.

Ik zei niet meteen nee. Dat is mijn probleem. Ik begon te vragen wanneer precies, hoeveel dagen, welke dorpen. Henk hoorde dat waarschijnlijk als ruimte.

Bas pakte de telefoon van het aanrecht en zei: “Nee, Henk. Wij gaan op vakantie. Drie weken. Zoals we gepland hebben.”

Henk zei een tijdje niets.

Toen zei hij: “Duidelijk. Ik dacht dat vrienden elkaar hielpen met dingen die ertoe doen.”

Bas keek naar mij. Ik zag dat het hem raakte, ondanks alles.

“Dat doen we ook,” zei hij. “Maar niet altijd en niet met alles.”

Henk verbrak de verbinding zonder gedag te zeggen.

Sindsdien hebben we niets gehoord. Marja stuurde gisteren alleen een foto van haar nieuwe brace, met erbij: ‘Kijk nou, net een robotbeen.’ Ik heb een lachend gezichtje teruggestuurd. Meer niet. Het voelt kinderachtig, maar ik weet niet hoe ik gewoon moet doen alsof er niets gebeurd is.

De caravan staat inmiddels voor de deur. Bas heeft de fietsen erop gezet en mopperde dat een van de spanbanden zoek was. Vanmorgen zag ik dat Henk ons uit een gezamenlijke WhatsApp-groep heeft gehaald die al jaren ‘De Vier Musketiers’ heet. Daar stonden vooral foto’s van etentjes en slechte grappen in.

Ik moest er onverwacht om huilen.

Niet omdat ik denk dat we ongelijk hebben. Ik denk dat we, veel eerder al, duidelijker hadden moeten zijn. Misschien hebben we zelf meegemaakt dat ‘even helpen’ een gewoonte werd waar niemand nog vragen bij stelde.

Maar ik weet ook niet of Henk straks nog begrijpt dat we hem niet hebben laten vallen. Dat we alleen niet meer alles kunnen dragen wat hij bij ons neerzet.

Morgen vertrekken we. Ik heb nog steeds geen idee of ik hem voor die tijd een bericht moet sturen. Bas zegt dat we hem met rust moeten laten.

De koelbox staat inmiddels in de caravan, naast een tas met regenjassen. Want ja, Drenthe in juni. Daar kunnen we ons in elk geval op voorbereiden.