Ik wil samen oud worden, maar mijn man zegt dat ik van zijn pensioen een behandelplan maak

De koelkast stond open en Kees stond er in zijn onderbroek een stuk oude kaas af te snijden. Het was half elf ’s avonds. Op tafel lag een leeg zakje borrelnoten, naast zijn tweede flesje speciaalbier.

Ik zei niets. Dat was misschien nog het ergste. Vroeger had ik er iets van gezegd. Niet eens altijd vriendelijk, dat geef ik eerlijk toe. Dan zei ik: “Je weet toch dat je morgen weer moet prikken?” Of: “Je had vanmiddag al stroopwafels.”

Nu keek ik alleen naar zijn rug, naar dat beetje ingezakte, en ik voelde iets wat ik niet goed kon plaatsen. Geen pure boosheid. Meer een soort moeheid die al begon voordat er überhaupt iets gebeurd was.

Wij zijn allebei 67. Anderhalf jaar geleden zijn we vanuit Amersfoort naar een dorp bij Deventer verhuisd. Een twee-onder-een-kap, kleiner dan ons oude huis maar met een tuin waar Kees meteen een moestuin in dacht te beginnen. Daar is niet veel van gekomen. Er staan drie zielige courgetteplanten en een tuinkabouter die hij van onze dochter heeft gekregen, als grap.

De eerste maanden waren heerlijk. We fietsten langs de IJssel, dronken koffie in Deventer, gingen op dinsdag naar de markt. Kees was altijd degene die overal makkelijk in stapte. Hij praat met de buurman die hij nauwelijks kent, maakt een praatje bij de slager en zegt bij elk probleem: “Komt wel goed, mens.”

Ik ben anders. Ik maak lijstjes. Ik kijk drie keer naar de route voordat we weggaan. Toen we nog werkten, vond hij dat soms overdreven, maar hij leunde er ook op. Hij wist bijvoorbeeld nooit wanneer de apk van de auto moest, welke verzekering we hadden of hoeveel er precies op de spaarrekening stond. Niet uit onwil. Hij was gewoon zo.

In november vorig jaar kreeg hij tijdens het wandelen pijn op zijn borst. Hij wuifde het eerst weg. Spierpijn, zei hij. Hij had de dag ervoor een kast verplaatst. Pas toen hij thuis op de bank grauw werd en begon te zweten, heb ik 112 gebeld.

Het bleek geen hartinfarct, maar wel een serieuze waarschuwing. Zijn bloeddruk veel te hoog, cholesterol verkeerd, beginnende diabetes. In het ziekenhuis zei een cardioloog vrij rustig dat er nu echt iets moest veranderen. Minder alcohol, stoppen met roken, afvallen, meer bewegen. Kees knikte daar nog braaf bij, met zo’n ziekenhuisbandje om zijn pols.

De eerste weken thuis deed hij zijn best. We aten linzensoep en volkorenbrood. Hij liep met mij mee naar de fysio. Hij zei zelfs dat hij zich lichter voelde.

Maar na een maand kwam het oude leven terug, alleen met een paar gezonde momenten ertussen. Hij neemt zijn medicijnen wel, dat moet ik hem nageven. Maar hij rookt stiekem in de schuur. Hij noemt het zelf “af en toe een sigaartje”, terwijl ik de lege pakjes in de kliko zie. En als we bij vrienden eten, zegt hij dat één avondje toch niet uitmaakt. Dat is natuurlijk ook zo, alleen bestaat dat ene avondje bij Kees opvallend vaak.

Het moeilijke is dat hij niet dom is. Hij weet precies wat het risico is. Hij wil alleen niet de hele tijd iemand zijn die risico’s moet vermijden.

Een paar weken geleden zag ik online een programma van een gespecialiseerd leefstijlcentrum. Zes weken intern, met medische begeleiding, beweging, gesprekken, kooklessen en daarna nog een jaar nazorg. Duur, ja. Bijna achttienduizend euro voor twee personen. Niet alles wordt vergoed. Maar we kunnen het betalen. We hebben een behoorlijke gezamenlijke spaarrekening, mede doordat we altijd zuinig waren en een deel van Kees zijn ontslagregeling destijds hebben weggezet.

Ik wilde niet dat hij er alleen heen zou moeten. Dus ik zei dat ik mee wilde. Niet omdat ik zelf zo’n probleemgeval ben, maar omdat ik ook best strakker in mijn vel kan zitten en omdat ik dacht: misschien wordt het dan iets van ons samen.

Kees luisterde terwijl ik het uitlegde. Hij zat aan de keukentafel met zijn leesbril op, maar hij las niets. Toen ik klaar was, zei hij: “Achttienduizend euro om ergens zes weken op gekiemde zaden te kauwen?”

Ik zei dat dat flauw was.

Hij werd meteen scherp. “Nee, wat flauw is, is doen alsof ik naar een heropvoedingskamp moet omdat jij niet tegen onzekerheid kunt.”

Dat kwam hard aan, juist omdat er iets van waarheid in zat. Ik kan slecht tegen onzekerheid. Maar ik ben niet bang voor een vertraagde trein of een kapotte cv-ketel. Ik ben bang dat ik over vijf jaar zijn steunkousen sta aan te trekken terwijl hij nog steeds zegt dat hij toch een mooi leven heeft gehad.

Dat heb ik ook gezegd. Niet zo netjes. Ik zei: “Ik heb geen zin om op mijn zeventigste fulltime mantelzorger te worden omdat jij nu per se moet bewijzen dat niemand jou iets voorschrijft.”

Hij keek me aan alsof ik hem al had afgeschreven.

De dagen erna praatten we nauwelijks. Hij ging langer met de hond lopen, wat eigenlijk goed nieuws was, maar het voelde niet zo. Ik deed boodschappen en kocht dingen waarvan ik wist dat hij ze niet lekker vond: kwark, volkoren wraps, bergen groente. Kinderachtig misschien. Hij haalde de volgende dag een saucijzenbroodje bij het tankstation toen hij benzine ging halen. Hij liet het bonnetje expres op het aanrecht liggen.

Vorige zondag liep het echt uit de hand. Ik had de bankapp open op mijn telefoon, omdat ik wilde kijken hoeveel we nog moesten betalen voor de nieuwe zonwering. Ik zei, meer uit frustratie dan omdat ik het al goed had doordacht, dat ik onze rekeningen misschien maar moest splitsen. Dat ik mijn deel van het spaargeld wilde reserveren voor later, voor als ik hulp nodig heb of als hij hulp nodig heeft die we zelf moeten bijbetalen.

Kees werd heel stil. Daarna zei hij: “Dus je straft me financieel omdat ik niet leef zoals jij dat in Excel hebt uitgerekend?”

Ik heb gezegd dat het geen straf was. Maar eerlijk: op dat moment voelde het deels wel zo. Ik wilde dat hij schrok. Ik wilde dat hij eindelijk begreep dat zijn keuzes niet alleen van hem zijn, hoe graag hij dat ook wil geloven.

Tegelijkertijd schaam ik me daarvoor. Want geld apart zetten verandert niets aan het feit dat ik van hem houd. Het beschermt me misschien op papier, maar niet tegen de angst als hij ’s nachts weer zo zwaar ademt. En het idee dat ik hem in een centrum zou kunnen krijgen door lang genoeg te duwen, is ook nogal arrogant. Hij is geen puber en ik ben zijn moeder niet.

Gisteren kwam hij uit de schuur en zei hij uit zichzelf dat hij een afspraak bij de praktijkondersteuner had gemaakt. Geen leefstijlcentrum, geen groot gebaar. Gewoon een gesprek over stoppen met roken en hoe hij weer conditie kan opbouwen. Ik zei alleen: “Goed.” Ik durfde er bijna niets meer achteraan te zeggen, bang dat ik het meteen weer zou overnemen.

Het formulier van dat centrum ligt nog in mijn lade. De zonwering moet ook nog betaald worden. En vanavond eten we aardappels, sperziebonen en een gehaktbal. Kees wilde die gehaktbal graag. Ik heb er twee gekocht.