Na een jaar zorgen voor mijn beste vrienden zei ik dat we niet meer elke dag konden komen, en sindsdien voelt het alsof we hen in de steek hebben gelaten

Ik heb de sleutel van hun huis nog steeds aan onze sleutelbos hangen. Zo’n klein zilverkleurig dingetje, met een blauw plastic label waar ooit met stift “Bert en Anja” op stond. De letters zijn bijna weggewreven.

Soms denk ik: ik moet hem teruggeven. Dan is het tenminste duidelijk. Maar dan zie ik Anja voor me, alleen aan de keukentafel, en krijg ik hem niet los van de ring.

Mijn man Henk en ik kennen Bert en Anja al sinds 1987. We woonden toen allebei in Amersfoort, een paar straten van elkaar. Onze kinderen waren ongeveer even oud, we gingen jaren samen kamperen in Frankrijk, vierden verjaardagen bij elkaar en hielpen elkaar met verbouwingen, verhuizingen, alles eigenlijk. Bert was degene die Henk na zijn hartoperatie iedere avond belde, al stelde die operatie achteraf niet zoveel voor. Anja paste op onze jongste toen mijn moeder in Groningen op sterven lag.

Het waren niet zomaar kennissen. Zij wisten dingen van ons die zelfs mijn zus niet weet.

Toen Bert twee jaar geleden ineens zo moe werd, dachten we eerst aan zijn hart. Hij had wel vaker wat gedoe met zijn bloeddruk. Maar het bleek alvleesklierkanker te zijn, uitgezaaid. Ik weet nog dat Anja ons belde. Ze sprak heel rustig, bijna zakelijk, en zei dat ze “een rotgesprek in het ziekenhuis” hadden gehad. Daarna hoorde ik haar ademhaling veranderen en begon ze te huilen. Henk en ik zijn meteen gegaan.

In het begin was helpen heel vanzelfsprekend. Henk reed Bert naar chemo-afspraken als Anja niet mee kon. Ik kookte extra en zette bakjes eten in hun vriezer. We haalden medicijnen op bij de apotheek, deden boodschappen, maaiden het gras. Anja zei steeds: “Ik weet niet wat ik zonder jullie moet.” En ik geloofde haar ook. Ik zei dan: “Natuurlijk, daar zijn vrienden voor.”

Bert werd zieker dan we allemaal hadden gehoopt. De behandelingen sloegen eerst een beetje aan, daarna niet meer. Hij viel af, raakte sneller in de war en kon op een gegeven moment niet meer alleen douchen. Anja wilde zo lang mogelijk voorkomen dat er thuiszorg kwam. Ze vond het verschrikkelijk dat vreemde mensen aan zijn bed zouden staan. Dat snapte ik ergens wel. Bert was altijd een trotse man geweest.

Alleen werd het daardoor steeds meer ons probleem, zonder dat iemand dat zo uitsprak.

Ik ging op maandag, woensdag en vrijdag naar Anja om schoon te maken, was op te vouwen en eten klaar te zetten. Henk ging meestal op dinsdag en donderdag langs. In het weekend belde Anja vaak al vroeg of Henk even kon komen, omdat Bert uit bed moest of omdat er iets met de televisie, de verwarming of de pillendoos was. Soms was het echt nodig. Soms denk ik nu: misschien had het ook wel een paar uur kunnen wachten.

Onze eigen afspraken verdwenen stilletjes uit de agenda. Een lunch met oud-collega’s zegde ik af omdat Anja niet alleen naar de huisarts durfde. Henk miste een reünie van zijn oude voetbalteam. We gingen niet meer naar onze dochter in Zwolle als we daar zin in hadden, maar alleen als het toevallig tussen de zorgmomenten paste.

Ik ben daar niet trots op, maar ik merkte dat ik op den duur geïrriteerd raakte van het geluid van mijn telefoon. Als Anja belde, voelde ik al spanning in mijn schouders voordat ik opnam. Daarna schaamde ik me daarvoor. Zij had een man die doodziek was. Wat stelde mijn behoefte aan een rustige middag nou voor?

Henk zei het eerder dan ik. Hij zat op een zondagavond aan tafel met zijn agenda open en zei: “Marian, dit trekken we niet nog een jaar.”

Ik werd boos. Niet omdat hij ongelijk had, maar omdat ik niet wilde dat hij het hardop zei.

“Wat moeten ze dan?” vroeg ik.

“Dat is precies het punt,” zei hij. “Wij zijn niet meer aan het helpen. Wij draaien mee alsof we daar wonen.”

Bert hoorde steeds minder van dit alles. Hij lag veel op bed en was vaak misselijk. Maar als hij wakker en helder was, was hij nog steeds de Bert die grapjes maakte. Een keer pakte hij mijn hand vast toen ik zijn kussen opschudde en zei hij: “Je hoeft niet iedere keer te komen, hoor meisje.” Hij noemde me al veertig jaar meisje, hoewel ik 63 ben.

Anja stond in de deuropening en zei meteen: “Dat zegt hij nu wel, maar hij heeft jullie nodig.”

Die zin is blijven hangen.

Na bijna een jaar hadden Henk en ik een weekje Texel geboekt. Niet luxe, gewoon een huisje buiten De Koog. We hadden het maanden eerder gedaan, in een opwelling, omdat we allebei ergens naar uit wilden kijken. Toen Anja het hoorde, werd ze stil. Ze zei niet dat we niet mochten gaan. Ze vroeg alleen wie Bert dan zou helpen met douchen op de dagen dat de thuiszorg niet kwam, en wie de boodschappen zou doen, en wat ze moest als hij ’s nachts onrustig werd.

Ik heb die vakantie uiteindelijk geannuleerd. De annuleringskosten waren 280 euro. Dat geld vond ik niet eens het ergste. Het ergste was dat Henk die bevestigingsmail zag en alleen maar zei: “Dus wij gaan niet.” Niet boos. Meer moe.

Een paar weken later heeft hij zelf een gesprek met Anja voorgesteld. Bij hen thuis, met koffie die koud werd op tafel. Ik had vooraf bedacht dat ik zou zeggen dat we minder vaak konden komen. Drie vaste momenten per week misschien, en voor de rest moest er meer thuiszorg of hulp vanuit de gemeente geregeld worden. Anja had al contact met de wijkverpleegkundige, maar ze vond dat iedereen te weinig deed en te vaak wisselde.

Henk zei rustig: “We blijven er voor jullie, maar niet meer elke dag. We merken dat het thuis bij ons ook begint te knellen.”

Anja keek eerst naar mij. Ik denk omdat zij verwachtte dat ik hem zou tegenspreken.

Dat deed ik niet.

Toen zei ze: “Dus nu Bert achteruitgaat, besluiten jullie dat het jullie te veel wordt.”

Ik zei dat het ons al langer te veel was, maar dat we dat niet goed hadden aangegeven. Meteen daarna dacht ik: wat een akelige, boekhoudkundige zin op zo’n moment. Alsof ik uren aan het turven was.

Anja begon te huilen, maar het was geen zacht verdrietig huilen. Ze was kwaad. Ze zei dat wij geen idee hadden hoe het was om elke nacht wakker te liggen naast iemand die misschien de volgende maand niet meer leeft. Dat was waar. Ze zei ook dat echte vrienden niet wegstappen zodra het lastig wordt.

Henk antwoordde: “We stappen niet weg.”

Maar eerlijk gezegd klonk het op dat moment wel zo.

Sinds dat gesprek komen we nog drie keer per week. Soms vaker, als er echt iets is. De thuiszorg is opgeschaald. Anja is daar nog altijd niet blij mee. Ze doet kort tegen mij, vooral als ik iets anders doe dan zij gewend is. Laatst had ik Berts boterhammen in kleinere stukjes gesneden omdat hij zich verslikte. Ze zei: “Hij eet het liever gewoon normaal, Marian.” Terwijl hij die ochtend nauwelijks kon slikken.

Bert is inmiddels in een hospice terechtgekomen. Anja wilde het eerst absoluut niet, maar thuis ging het niet meer. Henk en ik zijn er vorige week geweest. Bert sliep bijna de hele tijd. Anja was vriendelijker dan de laatste maanden, alsof ze uitgeput was van boos zijn.

Bij het weggaan omhelsde ze me en zei ze heel zacht: “Ik had jullie harder nodig dan ik dacht.”

Ik zei dat we er nog waren. Dat is ook zo.

Maar toen we thuis waren, vroeg Henk of ik de volgende dag alsjeblieft niet meteen wilde opnemen als zij belde. We hadden gepland om koffie te drinken in de stad, gewoon samen. Ik heb mijn telefoon op stil gezet.

De sleutel van hun huis hangt nog steeds aan mijn bos. Ik weet niet of dat betekent dat ik hem moet houden, of dat ik gewoon niet weet hoe ik afscheid moet nemen van hoe het vroeger was.