Mijn beste vriend vergeet steeds meer, maar zijn vrouw verwacht dat wij ons pensioen om hen heen bouwen
De laatste keer dat Henk bij ons aan tafel zat, vroeg hij drie keer of Els nog steeds in de bibliotheek werkte. Els is daar al ruim twee jaar weg. De eerste keer antwoordde ze gewoon. De tweede keer glimlachte ze wat flauwtjes. Bij de derde keer keek Marja naar haar bord en zei ze niets.
Dat was eigenlijk het moment waarop ik besefte dat onze etentjes niet meer gewoon etentjes waren.
Wij kennen Henk en Marja al bijna dertig jaar. We woonden vroeger twee straten van elkaar in Amersfoort, toen de kinderen nog klein waren en iedereen te weinig sliep. Henk en ik gingen fietsen, eerst op gewone fietsen en later, toen onze knieën begonnen te protesteren, op e-bikes. Els en Marja zaten bij dezelfde leesclub, al werd er op den duur meer gepraat dan gelezen. We gingen kamperen in Frankrijk, vierden oud en nieuw bij elkaar, pasten op elkaars katten. Het was nooit zo dat de ene meer gaf dan de ander. Juist daarom voelde het makkelijk.
Henk is 69, ik ben 67. Vorig voorjaar kwam de diagnose. Beginnende Alzheimer. Ik weet nog dat Henk zelf zei: “Nou ja, ik vergeet tenminste eindelijk die slechte vergaderingen van vroeger.” We lachten allemaal, misschien iets te hard.
In het begin veranderde er weinig. Hij raakte soms de draad kwijt tijdens een verhaal of stuurde mij op dinsdag een bericht over onze fietstocht van zondag. Vervelend, maar niet onoverkomelijk. Marja werd alleen steeds onrustiger. Ze belde Els vaker. Of we die avond even koffie kwamen drinken. Of ik met Henk naar de bouwmarkt kon, omdat hij anders dingen kocht die ze niet nodig hadden. Of Els met haar mee wilde naar de huisarts, want alleen kon ze het gesprek niet aan.
We zeiden meestal ja. Dat voelde logisch. Je helpt vrienden.
Maar het werd geen uitzondering meer. Het werd een soort rooster waar niemand hardop een rooster van maakte. Op maandag ging Els meestal even langs. Woensdag haalde ik Henk op voor een wandeling, ook als het regende en hij eigenlijk niet wilde. Zaterdag werden we vaak gevraagd om mee te eten, omdat Marja bang was dat Henk anders de hele avond op de bank zou zitten en in slaap zou vallen.
Een keer hadden Els en ik kaartjes voor een matineevoorstelling in Utrecht. Niet iets groots, gewoon een middagje weg, daarna ergens een uitsmijter eten. Marja belde een uur voordat we zouden vertrekken. Henk had zijn portemonnee in de koelkast gelegd en was boos geworden toen zij hem daarop aansprak. Ze klonk helemaal op.
Els keek mij aan terwijl ze haar jas nog vasthad.
“Ga jij maar,” zei ik. “Ik ga wel even.”
Maar Els ging natuurlijk niet. Ze zei dat ze zich niet kon vermaken als ik daar zat en zij wist dat Marja huilend in de keuken stond. Dus bleven we allebei thuis. Ik baalde daar vreselijk van. Niet alleen van die voorstelling, dat klinkt kinderachtig als ik het zo opschrijf. Ik baalde ervan dat ik niet eens meer mocht balen van zoiets kleins.
Bij Henk en Marja trof ik Henk inderdaad boos aan, maar tien minuten later wist hij niet meer waarom. Marja was bleek en nerveus. Ik zette thee, zocht de portemonnee uit de koelkast en deed alsof het allemaal heel normaal was. Daarna zat ik bijna drie uur bij hen. Toen ik wegging, pakte Marja mijn arm vast.
“Wat moeten wij zonder jullie?” zei ze.
Ik zei: “Dat komt wel goed,” terwijl ik eigenlijk dacht: ik weet het niet.
Een paar weken later stelde Els voorzichtig voor dat Marja eens contact zou opnemen met de casemanager dementie. De huisarts had die mogelijkheid al genoemd. Misschien kon er iemand meedenken over dagbesteding, praktische hulp, dat soort dingen.
Marja werd meteen stug. “Henk is geen project,” zei ze. “Hij heeft gewoon mensen nodig die hem kennen.”
Dat begrijp ik ook wel. Ik zou zelf waarschijnlijk ook liever tussen bekenden blijven dan met steeds wisselende hulpverleners te maken krijgen. Maar Henk heeft méér nodig dan wij kunnen geven, en Marja eigenlijk ook. Alleen zegt ze dat laatste niet. Ze zegt alleen dat ze het niet aankan als er vreemden in huis komen.
Vorige maand escaleerde het tijdens een verjaardag van onze dochter. We hadden al weken gezegd dat we die zondag niet beschikbaar waren. Onze kleindochter werd vier en we zouden met de hele familie pannenkoeken eten. Om half elf belde Marja. Henk wilde per se naar buiten, maar zij durfde hem niet alleen te laten lopen. Of ik alsjeblieft een uurtje kon komen.
Ik zei nee.
Niet bot, dacht ik. Ik legde uit waar we waren en dat we niet in de buurt waren. Ik zei dat ze misschien haar zus kon bellen, of de huisartsenpost als ze echt bang was dat het misging. Maar Marja werd stil. Daarna zei ze: “Je weet dat Henk jou eerder rustig krijgt dan mij.”
Dat was het akeligste. Want dat klopt misschien wel.
Ik ben toch gegaan. Niet meteen, maar na een halfuur. Els bleef bij onze dochter en ik reed terug. Henk zat gewoon in de tuin met zijn jas aan, alsof hij op de bus wachtte. Hij was blij me te zien. We liepen een rondje door de wijk. Hij vertelde me onderweg over een vakantie in de Ardèche die volgens mij in 2004 was geweest. Bij thuiskomst keek Marja me aan alsof ik iets had rechtgezet wat ik eerst kapot had gemaakt.
Die avond kreeg Els een bericht van haar. Geen dankjewel, alleen: “Fijn dat Jan uiteindelijk begreep hoe ernstig het was.”
Els heeft haar telefoon toen weggelegd en gezegd dat ze hier niet meer tegen kon. Ik verdedigde Marja nog. Ik zei dat ze moe was, bang, dat ze niet zichzelf was. Els zei: “En wij dan? Wanneer mogen wij nog gewoon moe zijn?”
Daar had ik geen antwoord op.
Afgelopen dinsdag zijn we samen bij hen gaan zitten. Niet om gezellig koffie te drinken, maar om iets uit te spreken waar ik al maanden omheen draaide. Ik had het zelfs op een papiertje gezet, alsof ik een gesprek op mijn oude werk moest voeren.
Ik zei dat we Henk niet in de steek wilden laten. Dat we best één vaste middag per week willen komen, en dat ik af en toe met hem wil fietsen of wandelen als het lukt. Maar geen dagelijkse telefoontjes meer waarin we moeten besluiten of we onze plannen afzeggen. Geen verwachting dat wij de gaten opvullen die professionele hulp, familie en zorg eigenlijk samen zouden moeten opvangen.
Marja begon te huilen. Niet heel hard. Ze zat gewoon met haar handen om haar mok en de tranen liepen naar beneden. Henk keek van haar naar mij en vroeg of er iets met de kat was.
“Jullie willen dus alleen nog langskomen als het jullie uitkomt,” zei Marja uiteindelijk.
Dat is niet precies wat ik bedoelde. Maar eerlijk gezegd zit daar ook iets van waarheid in. Ik wil inderdaad dat het soms ons uitkomt. Ik wil met Els op dinsdag spontaan naar de markt kunnen, of een weekend weg zonder dat ik mijn telefoon op tafel leg alsof ik dienst heb.
Marja heeft sindsdien minder contact gezocht. Els mist haar, ondanks alles. Ik mis Henk vooral. Of misschien mis ik de Henk die mij zonder agenda belde om te vragen of het fietsweer was.
Morgen is onze vaste middag. Ik ga erheen, neem stroopwafels mee en kijk wel wat voor bui hij heeft. Els blijft thuis, omdat ze naar haar leesclub gaat. Dat hebben we zo afgesproken. Het voelt nog steeds ongemakkelijk dat we daar een afspraak van moesten maken, maar ze heeft haar tas al klaarstaan.