Toen Marijke het huis in de Ardèche wilde verkopen, bleek dat wij er blijkbaar nooit echt bij hoorden
De laatste keer dat ik in de keuken van het huis in de Ardèche stond, heb ik een pan weggegooid die ik zelf nog had uitgezocht bij de Blokker in 2004. De anti-aanbaklaag liet los. Ik weet nog dat ik met die pan in mijn handen stond en dacht: wat een belachelijk detail om verdrietig van te worden.
Maar dat was ik wel.
Het huis was van Kees en Marijke. Dat is altijd zo geweest, op papier tenminste. Hans, mijn man, en ik hadden zelf nooit genoeg geld gehad voor zoiets. Kees had in de jaren negentig een goedlopende installatiezaak, Marijke werkte in het onderwijs en ze hadden net iets eerder geluk gehad met de verkoop van hun rijtjeshuis in Amersfoort. Ze kochten een oud huisje buiten Aubenas: dikke stenen muren, een scheef zwembadje, een vijgenboom die elk jaar te vroeg blad kreeg.
De afspraak was nooit officieel. Er was geen contract, geen sleutelovereenkomst, niets. Maar vanaf het begin zeiden we: dit doen we samen.
Wij betaalden mee aan het dak toen dat vervangen moest worden. Hans heeft er wekenlang luiken geschuurd, in de hitte, met een pet op die hij nog steeds heeft. Ik heb gordijnen genaaid voor de twee slaapkamers boven. We deden boodschappen om beurten, betaalden mee aan de taxe foncière als Kees daar weer eens over begon te mopperen, en toen de septic tank problemen gaf, hebben we zonder discussie vijfduizend euro overgemaakt.
Achteraf hoor ik mezelf dat opsommen en denk ik: ja, maar waarom? Je wist toch dat het niet van jou was?
Dat wist ik. Natuurlijk wist ik dat. Alleen voelde het niet zo.
We gingen er bijna ieder jaar zes weken heen. Eerst met de kinderen, later zonder. Onze dochters vonden het op den duur saai en gingen liever met vrienden naar Portugal of een festival, maar wij bleven gaan. De vier van ons aan die lange tafel onder de plataan. Kees die steevast te veel rosé inschonk. Marijke die om half zeven al met de stoelen begon te schuiven omdat ze bang was dat er regen zou komen, terwijl er vaak weken geen wolk te zien was.
In Nederland zagen we elkaar ook veel, maar daar was altijd iets. Kleinkinderen, tandartsafspraken, vrijwilligerswerk, de cv-ketel die het begaf. In Frankrijk waren we gewoon weer met z’n vieren. Dat klinkt misschien kinderachtig op onze leeftijd, maar het was onze vaste grond geworden.
Vorig najaar kreeg Kees de diagnose Parkinson, met daarnaast iets aan zijn hart waar hij al langer voor onder controle was. Het ging sneller achteruit dan wij allemaal hadden verwacht. Hij is nu 68. In december viel hij twee keer in huis. De tweede keer lag hij volgens Marijke bijna drie kwartier op de badkamervloer voordat hij bij zijn telefoon kon.
Vanaf dat moment werd alles praktisch. Een traplift, een aangepaste badkamer, hulp aan huis. Marijke bleek uren bezig met bellen, formulieren invullen, wachten op terugbelverzoeken. Sommige dingen werden vergoed of gedeeltelijk geregeld via de gemeente, maar niet alles, en zeker niet meteen. Bovendien was hun inkomen lager geworden sinds Kees echt niet meer kon meewerken in de zaak van zijn zoon.
Ik zag hoe moe Marijke was. Eerlijk is eerlijk: ik zag het, maar ik begreep het misschien niet helemaal.
In januari belde ze me op een dinsdagmiddag.
‘We gaan het huis verkopen,’ zei ze.
Ik stond net de vaatwasser uit te ruimen. Ik weet nog dat ik een ontbijtbord in mijn hand had en het terugzette zonder het in het kastje te doen.
‘Welk huis?’ vroeg ik, alsof ze er nog een had.
Ze zweeg even. ‘Frankrijk, Lies. We kunnen die kosten niet blijven dragen. En ik wil geld achter de hand. Niet alleen voor nu, ook voor als het nog ingewikkelder wordt.’
Ik zei dat ik het begreep. Meteen. Te snel waarschijnlijk. Ik zei zelfs: ‘Natuurlijk moet je doen wat nodig is.’
Pas nadat we hadden opgehangen, ben ik gaan huilen. Niet netjes een beetje, maar echt lelijk, met een dichtgeknepen keel. Hans kwam thuis en vond me aan de keukentafel tussen de post en een halflege mok koffie.
Zijn eerste reactie was boosheid. Niet op Kees, zei hij meteen. Niet echt op Marijke ook. Maar toch vooral op haar.
‘Ze had het tenminste met ons kunnen bespreken voordat die makelaar erbij kwam,’ zei hij.
Dat bleek dus al gebeurd te zijn. De foto’s zouden in maart gemaakt worden. Marijke had het huis laten taxeren en het bedrag viel hoger uit dan ze verwachtte. Ze wilde snel handelen, voordat Kees misschien een periode kreeg waarin alles weer rustig leek en zij zou gaan twijfelen.
Hans zei: ‘We kunnen het overnemen.’
Ik vond dat eerst een prachtig idee. Alsof je een emmer onder een lekkend plafond zet en daarmee het huis redt. We hadden spaargeld, niet genoeg om zo’n huis zonder meer te kopen, maar met onze overwaarde en een kleine hypotheek moest het misschien kunnen. Onze dochter zei dat we gek waren, maar ze zei het wel voorzichtig.
We gingen op zondagmiddag bij hen langs met een mapje. Hans had bedragen opgeschreven. Hij was de hele week bezig geweest met rekenen. We wilden een marktconforme prijs betalen, misschien zelfs iets hoger als dat nodig was. Kees zat in zijn stoel bij het raam en keek nauwelijks op. Hij was die dag slecht ter been.
Marijke luisterde ons aan. Ze kneep haar lippen op elkaar, op die manier die ik van haar ken als ze probeert niet geëmotioneerd te raken.
‘Het gaat me niet alleen om de opbrengst,’ zei ze uiteindelijk. ‘Ik moet ervan af. Begrijp je dat? Ik kan niet eigenaar blijven van een huis waar van alles aan vastzit. Verzekeringen, belasting, onderhoud, gedoe met huurders misschien. En ik wil niet dat jullie straks denken dat jullie rekening moeten houden met ons, of dat ik moet overleggen over elke zomer.’
Hans zei dat we niets zouden verwachten. Dat we Kees en haar er altijd zouden laten komen.
Toen keek Kees eindelijk naar ons. ‘Maar ik ga daar waarschijnlijk niet meer heen, Hans.’
Het werd stil. Zo stil dat ik de koelkast hoorde aanslaan.
Marijke zei dat een verkoop aan ons waarschijnlijk ook tijd zou kosten, met financiering en voorwaarden. Een makelaar had een koper die snel kon schakelen. Zij wilde geen maanden onzekerheid. Ze wilde geld op de rekening en ruimte in haar hoofd.
Ik knikte weer. Dat doe ik blijkbaar als ik iets niet kan verwerken.
Op weg naar huis zei Hans bijna niets. Bij een rotonde in Leusden remde hij zo abrupt dat mijn tas van de achterbank gleed. Toen zei hij: ‘Dus al die jaren waren wij handig gezelschap en een goedkope klusploeg.’
Dat vond ik gemeen. Ik zei het ook. Kees en Marijke hebben ons nooit uitgebuit. We hebben daar zelf net zo veel plezier van gehad. Niemand dwong ons om geld over te maken voor die septic tank. Niemand vroeg mij om gordijnen te naaien.
Maar tegelijk voelde ik iets anders, iets waar ik me nog steeds voor schaam. Alsof wij uit hun toekomst waren geschrapt zonder dat iemand het tegen ons durfde te zeggen.
De verkoop is inmiddels rond. Een Nederlands stel heeft het gekocht, mensen van onze leeftijd die er een chambres d’hôtes van willen maken. Marijke stuurde een berichtje in onze groepsapp toen de handtekeningen waren gezet: ‘Het is gelukt. Nu even ademhalen.’ Met een hartje erachter.
Hans reageerde pas de volgende ochtend: ‘Fijn dat het geregeld is.’ Ik stuurde helemaal niets. Niet omdat ik haar iets wilde aandoen. Ik kon gewoon niet bedenken welke woorden niet verkeerd zouden klinken.
Volgende week gaan we met z’n vieren lunchen, voor het eerst sinds die zondag. Marijke stelde een pannenkoekenrestaurant bij Voorthuizen voor, omdat Kees daar makkelijk kan parkeren en het toilet dichtbij is. Vroeger zouden we daar grappen over hebben gemaakt.
Ik heb gisteren nog een oude sleutel gevonden in een bakje bij de meterkast. De sleutel van het huis in Frankrijk. Ik weet niet waarom we die nog hebben. Misschien omdat niemand eraan gedacht heeft hem terug te vragen.
Ik heb hem niet weggegooid. Nog niet.