Toen onze beste vriend zei dat onze reis minder waard was dan het leven van zijn vrouw
De enveloppen met de reisbescheiden lagen al bijna drie weken op de hoek van de eettafel. Niet omdat ik er elke dag naar keek, maar juist omdat ik ze niet durfde op te bergen. Alsof het dan te definitief werd dat we echt zouden gaan.
Pieter en ik zijn allebei 67. Hij heeft tot vorig jaar bij een installatiebedrijf gewerkt, ik zat jarenlang in de administratie van een middelbare school in Amersfoort. We hebben niet breed geleefd, maar wel altijd gespaard. Geen dure auto, niet elk jaar ver weg. Onze dochters zeiden weleens: “Jullie doen alsof jullie nog steeds twee studerende kinderen hebben.” Misschien hadden ze gelijk.
Die reis was ons cadeau aan onszelf. Zes weken met de camper door Frankrijk en Noord-Spanje. Rustig aan, kleine campings, niet alles van tevoren vastleggen. Pieter wilde al jaren langs de Atlantische kust rijden. Ik wilde vooral een keer wakker worden zonder dat er iets moest.
En toen werd Marjan ziek.
Marjan en Kees kennen we sinds 1988. Onze kinderen zaten vroeger ongeveer tegelijk op zwemles. We vierden oud en nieuw bij elkaar, gingen jarenlang met z’n vieren een weekend naar Zeeland, stonden bij elkaars ouders op begrafenissen. Er zijn vrienden die je veel ziet, en er zijn vrienden die onderdeel worden van hoe je je leven onthoudt. Kees en Marjan waren dat laatste.
Bij Marjan begon het met vermoeidheid. Toen een rare pijn in haar rug. Daarna ging het ineens snel. Ik wil niet te veel medische dingen opschrijven omdat het ook haar verhaal is, maar ze is ernstig ziek en de behandelingen hakken erin. Sommige dagen zit ze rechtop op de bank en maakt ze nog opmerkingen over de rommel in haar huis. Andere dagen krijgt ze nauwelijks haar ogen open.
Kees doet alles. Medicijnen bijhouden, mee naar afspraken, koken als het lukt, wassen, bellen met de thuiszorg, wachten op telefoontjes die nooit op een handig moment komen. Hij was altijd degene die op een verjaardag het vlees op de barbecue legde en iedereen een glas inschonk. Nu draagt hij joggingbroeken en vergeet hij soms zelf te eten.
In het begin hielpen we gewoon. Dat vond ik ook niet meer dan normaal. Pieter maaide hun gras, ik zette een pan soep neer of deed een wasje als ik er toch was. We reden een paar keer naar het ziekenhuis. Kees bedankte ons steeds overdreven. Dan zei ik: “Hou toch op, daar zijn we voor.” En dat meende ik.
Maar een maand geleden belde hij op een dinsdagavond. Ik hoorde meteen aan zijn ademhaling dat hij al langer had zitten wachten om te bellen.
“Kunnen jullie drie dagen per week komen?” vroeg hij.
Ik dacht eerst dat hij bedoelde: deze week, omdat er iets was uitgevallen.
“Drie dagen?” vroeg ik.
“Ja. Gewoon van een uur of tien tot vier. Dan kan ik slapen, boodschappen doen, even mijn hoofd leegmaken. Marjan is rustig bij jullie. Jullie weten hoe het hier gaat.”
Pieter zat tegenover mij en zag aan mijn gezicht dat het geen gewoon telefoontje was. Ik zei dat we erover moesten nadenken. Kees bleef even stil.
“Het is niet alsof ik dit voor mijn plezier vraag, Anja.”
Dat kwam hard aan, terwijl hij waarschijnlijk niet eens lelijk wilde doen.
Die avond hebben Pieter en ik lang aan tafel gezeten. De aardappels stonden nog in de pan. We hadden allebei geen trek meer. Pieter zei dat Kees op was en dat je iemand in zo’n situatie niet met een lijstje oplossingen moest afschepen. Ik zei dat drie vaste dagen geen gunst meer was, maar een soort rooster. En dat het waarschijnlijk niet bij drie dagen zou blijven als het slechter ging.
Hij knikte, maar zei ook: “Als ik daar lag, zou jij toch ook hopen dat iemand ons hielp?”
Daar kon ik niets tegenin brengen. Of nou ja, ik had van alles kunnen zeggen, maar het klonk in mijn eigen hoofd meteen kil.
We boden Kees uiteindelijk aan om twee ochtenden per week te komen. Pieter zou daarnaast helpen met zware dingen, boodschappen of rijden als dat nodig was. Ook wilden we met hem kijken of er via de huisarts of thuiszorg iets extra’s geregeld kon worden. Ik wist zelf ook wel dat professionals niet zomaar urenlang gezellig bij iemand op de bank gaan zitten zodat een mantelzorger kan slapen. Toch dacht ik: er móét iets zijn behalve dat vrienden hun hele agenda leegmaken.
Kees reageerde eerst kort: “Ik had op drie dagen gerekend.”
Daarna zei hij: “En die camperreis dan?”
Ik weet nog dat ik naar de fruitschaal keek. Er lagen twee slappe mandarijnen in. Zo’n onbenullig detail, maar ik zie het nog voor me.
“We gaan pas over twee maanden,” zei ik.
“Precies,” zei hij. “Dan laat je me dus ook nog zes weken alleen zitten.”
Pieter nam de telefoon van me over. Hij praatte rustig, veel rustiger dan ik kon. Hij zei dat we niet alleen weg konden gaan zonder iets te regelen, dat we heus wilden meedenken, dat Kees ook familie en andere mensen om zich heen had. Maar Kees zei dat zijn broer in Groningen woonde en zelf slecht ter been was, dat Marjans zus vooral appjes stuurde met hartjes, en dat iedereen altijd wel een reden had.
Toen zei hij: “Ik dacht eerlijk gezegd dat jullie onze beste vrienden waren.”
Dat was het moment waarop ik voelde dat er iets verschoof. Niet omdat hij geen verdriet mocht hebben of boos mocht zijn. Maar omdat onze vriendschap ineens werd afgemeten aan het aantal uren dat wij beschikbaar konden zijn.
Een week later gingen we toch voor het eerst op maandag en donderdag. Marjan vond het zichtbaar fijn. We dronken koffie, ik vouwde was op, Pieter maakte een kastdeurtje vast dat al maanden scheef hing. Soms sliep Marjan en zaten wij zachtjes in de keuken. Kees ging dan boven liggen, maar kwam vaak na een uur alweer beneden. Hij kon niet ontspannen. Dan vroeg hij of we misschien vrijdag ook konden, want donderdag was eigenlijk te kort geweest.
Ik voelde me verschrikkelijk dat ik daar moe van werd. Marjan was ziek. Kees was uitgeput. En ik dacht aan mijn eigen huis, waar het bed verschoond moest worden en waar ik de hele tijd het gevoel had dat ik achter de feiten aanliep.
Op een donderdag, toen Pieter buiten met Kees een kapotte tuintegel rechtlegde, zei Marjan ineens: “Hij is bang om alleen met mij te zijn.”
Ik wist niet wat ik moest antwoorden.
Ze keek naar haar handen. “Niet omdat hij niet van me houdt. Juist daarom. Hij kijkt de hele dag of ik anders ademhaal.”
Die zin heb ik thuis aan Pieter verteld en toen hebben we allebei gehuild. Ook omdat het zo oneerlijk was dat er geen goede oplossing bestond.
Afgelopen zondag belde Kees weer. Hij wilde weten of we de reis konden uitstellen. Niet afzeggen, zei hij, alleen uitstellen. “Een vakantie kun je later altijd nog doen. Marjan misschien niet.”
Ik zei dat ik dat begreep. Dat ik iedere dag bang ben om haar kwijt te raken. Maar ook dat wij die reis nodig hadden en er jaren voor hadden gespaard. Niet omdat we zielig zijn, maar omdat dit ook ons leven is.
Hij werd stil en zei toen: “Dus jullie kiezen de camper.”
Ik zei iets doms. Iets als: “Zo moet je het niet stellen.” Maar zo voelde hij het natuurlijk wel.
Daarna kwam het woord egoïstisch. Niet geschreeuwd. Bijna moe uitgesproken. Dat maakte het erger.
We gaan nog steeds twee keer per week. Voorlopig. De reis hebben we niet geannuleerd, maar ik kan er ook niet meer blij naar kijken. Kees neemt kort op als Pieter belt. Marjan stuurt me soms een foto van haar thee of van de kat op de vensterbank, alsof er niets aan de hand is. Misschien wil ze ons beschermen. Misschien weet ze niet wat Kees allemaal zegt.
Vanmorgen heeft Pieter de camper uit de stalling gehaald voor een beurt. Hij vroeg of ik mee wilde om te kijken naar een nieuw campingstoeltje. Ik zei dat hij maar moest gaan.
Toen hij weg was, heb ik Kees een app gestuurd dat we donderdag gewoon komen, maar dat we vrijdag niet kunnen. Ik heb hem ook geschreven dat ik van Marjan houd en van hem, maar dat ik niet kan beloven dat wij dit opvangen zolang het duurt.
Hij heeft het gelezen. Er staan twee blauwe vinkjes.
Meer nog niet.