Na dertig jaar vrienden voelt onze vaste vakantie ineens als een morele keuze

Ik wist dat er iets veranderd was toen Kees bij ons aan tafel zijn tweede glas wijn wegzette zonder er een flauwe opmerking bij te maken. Normaal zei hij dan iets over dat de dokter het niet hoefde te weten, of dat Marijke hem thuis toch al op rantsoen had gezet. Die avond keek hij alleen naar zijn bord en vroeg hij of iemand de aardappels wilde.

We kennen Kees en Marijke al sinds 1992. Daarnaast zijn er nog Bas en Ellen, en wij: mijn vrouw Saskia en ik. Eerst waren het etentjes in te kleine huurwoningen, met kinderen die boven lagen te slapen en een pan nasi voor te veel mensen. Later kwamen de barbecue-avonden, de verjaardagen, de scheidingen van twee kinderen, de begrafenis van Bas zijn moeder. De laatste vijftien jaar gingen we elk voorjaar een week naar hetzelfde appartementencomplex in de Ardèche. Niet spannend misschien, maar juist daarom fijn. Iedereen wist welke slaapkamer hij kreeg, waar de supermarkt zat en dat Kees op dag twee zou klagen over Franse koffie.

Saskia is vorig jaar gestopt met werken. Ze was doktersassistente in een gezondheidscentrum in Amersfoort, vier dagen per week, bijna haar hele werkzame leven. Ze had er lang naar uitgekeken om meer tijd te hebben. Eerst wilde ze schilderen, zei ze. Of eindelijk Spaans leren. Maar in november ging ze een keer mee met een buurvrouw naar een informatieavond van VluchtelingenWerk. Daarna was het snel gegaan.

Nu helpt ze drie ochtenden per week nieuwkomers met formulieren, afspraken bij de gemeente, DigiD-dingen die voor mij soms al abracadabra zijn. Ze gaat mee naar de huisarts als mensen de taal nog niet spreken. Ze belt scholen. Ze zoekt fietsen via een weggeefgroep. Soms komt ze thuis met verhalen waar ik stil van word. Over een Syrische man die zijn vrouw en dochter al twee jaar niet heeft gezien. Over een jongen uit Eritrea die bij de tandarts niet durfde te zeggen dat hij pijn had, omdat hij bang was dat hij een rekening zou krijgen die hij nooit kon betalen.

Ik ben trots op haar. Echt. Saskia is goed in dat soort dingen. Ze kan rustig blijven als iemand in paniek is en ze onthoudt precies welke naam bij welk gezicht hoort. Maar het vrijwilligerswerk werd niet alleen iets wat ze deed. Het werd langzaam de maat waar alles langs gelegd werd.

Als Ellen vertelde dat haar dochter en schoonzoon een andere keuken wilden, vroeg Saskia een keer hoeveel gezinnen daar een maand van zouden kunnen leven. Ze bedoelde het niet venijnig, denk ik. Of misschien een beetje wel. Toen Bas zei dat hij en Ellen overwogen een cruise te maken, zei Saskia: “Jullie weten dat zo’n schip in een week meer uitstoot heeft dan…” Ze maakte haar zin niet af. Niemand vroeg haar om hem af te maken.

Daarna werd er veel over het weer gepraat.

Ik heb haar thuis wel gezegd dat het anders viel bij de anderen dan zij dacht. Ze keek me toen aan alsof ik haar vroeg haar mond te houden.

“Dus we mogen het overal over hebben behalve over mensen die het echt moeilijk hebben?” vroeg ze.

“Nee, Sas. Natuurlijk niet. Maar niet elke vrijdagavond hoeft een gewetensonderzoek te worden.”

Ze haalde haar schouders op en ging de vaatwasser inruimen. Harder dan nodig. “Makkelijk praten als je nergens naartoe hoeft.”

Dat kwam aan, juist omdat het niet helemaal eerlijk was. Ik help ook weleens. Ik heb voor haar een kast uit elkaar gehaald en naar een gezin in Vathorst gereden. Ik geef geld als ze iets inzamelt. Maar ik ben geen Saskia. Ik hoef niet iedere dag te voelen dat ik iets te weinig doe om te weten dat de wereld oneerlijk is.

De avond met de aardappels was bij ons. Saskia had vooraf al gezegd dat ze iets wilde voorstellen voor de vakantie. Ik dacht: laat het maar gewoon ter sprake komen, misschien valt het mee. Ik wist natuurlijk beter.

Na het eten zette ze koffie en ging aan het hoofd van de tafel zitten met haar telefoon in haar hand. Ze vertelde over een organisatie die in Noord-Griekenland werkt met gezinnen die daar vastzitten. Er was een projectreis van acht dagen. Niet als toerist, zei ze nadrukkelijk, maar om te helpen: koken, kindactiviteiten, kleine klusjes, spullen sorteren. De kosten waren volgens haar redelijk, en je kon nog extra geld meenemen voor materiaal.

“Misschien,” zei ze, “kunnen we dit jaar eens iets doen dat verder gaat dan met z’n zessen aan het zwembad liggen.”

Niemand zei meteen iets. Ik hoorde de koelkast aanslaan.

Marijke vroeg voorzichtig of je daar wel echt nuttig was als je maar een week ging. Saskia zei dat iedere extra hand telde. Bas vroeg hoe het zat met verzekeringen en of het veilig was. Daar had Saskia een folder over. Kees keek steeds naar zijn servet.

Toen zei Ellen: “Saskia, ik vind het heel goed wat je doet. Maar ik wil in mei gewoon op vakantie. Dat klinkt misschien vreselijk, maar ik wil wandelen, lezen en niet de hele dag bezig zijn met ellende.”

Saskia werd rood in haar nek. “Het is geen ellende waar je mee bezig bent. Het zijn mensen.”

“Ik weet dat,” zei Ellen. “Zo bedoel ik het niet.”

“Maar zo klinkt het wel.”

Kees mengde zich er toen eindelijk in. Hij zei dat ze allemaal best wilden bijdragen, misschien met een bedrag of een inzamelactie via de bridgeclub van Marijke. Maar dat hij niet wilde dat hun vakantie een test werd van hoeveel mededogen ze hadden.

Dat woord, test, maakte het erger. Saskia zei dat niemand getest werd, maar dat het blijkbaar te veel gevraagd was om één keer iets voor een ander te doen. Bas werd daar weer boos om. Hij is twee jaar lang mantelzorger geweest voor zijn vader en doet nog steeds de administratie voor zijn zus, die na haar beroerte niet alles zelf redt. “Alsof ik mijn hele leven alleen maar aan mezelf denk,” zei hij. Zijn stem trilde. Ik had hem zelden zo gezien.

Toen zei ik iets waar ik nog steeds niet trots op ben. Ik zei: “Saskia, jij hebt nu een doel gevonden. Dat is mooi. Maar je kunt niet verwachten dat wij allemaal mee moeten omdat jij anders teleurgesteld bent.”

Ik zei wij. Niet alleen de anderen. Ook ik.

Ze keek niet boos. Dat was bijna erger. Ze keek alsof ik ergens was gaan staan waar ze me niet kon bereiken. Daarna heeft ze nauwelijks nog gepraat. Kees en Marijke gingen vroeg weg, zonder de koffie af te maken. Bas stuurde de volgende ochtend een berichtje in onze groepsapp dat hij voorlopig even geen plannen wilde vastleggen.

De Ardèche is inmiddels geannuleerd. Niet officieel, maar iedereen wacht af. Het appartement moest voor eind januari worden bevestigd en niemand reageerde op mijn bericht. Uiteindelijk heb ik de eigenaar maar geschreven dat we dit jaar overslaan. Hij antwoordde vriendelijk dat hij ons volgend jaar graag terugziet. Ik moest daar onverwacht van slikken.

Saskia gaat in mei waarschijnlijk wel naar Griekenland. Niet met die projectreis, want die bleek vol, maar via haar organisatie is er misschien iets anders mogelijk. Ze vertelt er thuis niet veel meer over. Ik vraag er ook te weinig naar, vermoed ik. We bewegen een beetje om elkaar heen, alsof we allebei bang zijn dat een verkeerd woord meteen weer die avond aan tafel opent.

Vorige week appte Marijke of ik zin had om zaterdag een stuk te fietsen, alleen de mannen. Ik heb nog niet geantwoord. Niet omdat ik niet wil. Juist omdat ik zo graag wil dat alles weer gewoon is, terwijl ik inmiddels weet dat gewoon niet zomaar terugkomt.

Vanavond maakt Saskia stamppot andijvie. Daarna heeft ze een online overleg met twee andere vrijwilligers. Ik ga waarschijnlijk voetbal kijken, al interesseert de wedstrijd me niet eens zo. De folder over Griekenland ligt nog op de vensterbank, half onder een stapel reclamefolders. Ik laat hem daar liggen.