Na mijn pensioen koos ik voor een leven in een woongemeenschap, en ineens leken mijn oudste vrienden mij niet meer te kennen
Het begon met een zaterdag waarop ik eigenlijk alleen een kapotte regenpijp zou gaan bekijken.
Een oud-collega van mij, Henk, woont sinds een paar jaar bij een ecologische woongemeenschap net buiten ons dorp, in een voormalige boerderij met een stuk land erachter. Hij belde omdat het water langs de gevel liep en vroeg of ik even kon komen kijken. Ik was net drie maanden met pensioen na 41 jaar bij een installatiebedrijf. Ik had tijd genoeg, zei ik.
Die ochtend stond ik daar met mijn ladder, tussen twee kippen die steeds onder mijn voeten scharrelden. Iemand was bonen aan het doppen aan een lange tafel buiten. Een vrouw van mijn leeftijd was met een jongen van een jaar of twintig bezig om oude kozijnen te schuren. Er was geen gedoe, niemand die de baas speelde. Gewoon mensen die iets deden omdat het moest gebeuren.
Ik bleef tot na de lunch. Niet omdat die regenpijp zo ingewikkeld was, maar omdat ik me voor het eerst in maanden niet nutteloos voelde.
Thuis zei Marijke: “Je bent laat. Ik dacht dat je misschien een lekdak aan het bouwen was in plaats van een regenpijp te repareren.”
Ze lachte erbij, maar ik merkte dat ze wilde weten waar ik geweest was. Ik vertelde over de tuin, de gezamenlijke maaltijden, de zonnepanelen die ze zelf hadden aangelegd. Zij zei dat het haar wel rustig klonk. Daarna ging ze verder met de was opvouwen.
Wij wonen al 34 jaar in hetzelfde dorp in Noord-Brabant. We kennen hier iedereen niet echt, maar wel voldoende. Onze vaste vriendenkring bestaat uit drie stellen: Jan en Ria, Koos en Ellen, en Arie en Monique. We gingen vroeger met z’n allen kamperen in Frankrijk, later werden dat huisjes in Italië of een hotelletje in Limburg. De kinderen zijn met elkaar opgegroeid. Toen mijn moeder stierf, stond Jan de ochtend van de begrafenis om half acht op de stoep om te vragen wat hij kon doen. Toen Koos een bypass kreeg, hebben we wekenlang zijn hond uitgelaten.
Dat soort vriendschap verdwijnt niet zomaar. Dacht ik.
Na die zaterdag ging ik vaker naar De Es, zo heette die woongemeenschap. Eerst één ochtend per week. Daarna hielp ik met het aanleggen van een irrigatiesysteem voor de moestuin. Ik leerde daar hoe je groente inmaakt, iets waar ik vroeger eerlijk gezegd een beetje om lachte. Ik hielp een meisje dat tijdelijk uit de jeugdzorg kwam met het opknappen van een fiets. Ze zei nauwelijks iets, maar toen die fiets reed, keek ze me aan alsof ik haar een auto had gegeven.
Ik begon minder spullen te kopen. Dat ging vanzelf. Niet omdat iemand me dat oplegde. Ik had gewoon ineens geen zin meer om voor de grap een nieuwe barbecue te bestellen omdat onze oude wat roest had. Bij De Es aten we uit de tuin, repareerden we dingen eerst en bespraken we zonder gêne wat iets kostte.
Daar ging het mis met onze vrienden, al zag ik dat eerst niet.
Tijdens een borrel bij Jan en Ria vertelde ik dat ik misschien twee dagen per week bij De Es wilde helpen. Jan had net zijn nieuwe camper laten zien. Een enorm ding, met een elektrisch bedienbaar bed en een televisie die uit een kastje omhoogkwam.
“Dus jij gaat daar nu tussen de geiten wonen?” vroeg hij.
Ik zei dat er geen geiten waren.
Iedereen lachte. Ik ook, denk ik. Maar ik voelde al dat het geen gewone grap was.
Een maand later zei Monique, terwijl ze de glazen in de vaatwasser zette, dat Marijke toch niet ook “van die kant” op ging. Ze zei het luchtig. Marijke antwoordde dat ze gewoon haar yogales bleef doen en dat ze het prima vond als ik daar plezier in had.
In de auto naar huis was Marijke stil. Pas vlak voor onze straat zei ze: “Ze doen alsof jij een besmettelijke ziekte hebt opgelopen.”
Ik zei dat ze moesten wennen.
“Jij hoeft niet te wennen aan hoe zij naar mij kijken,” zei ze.
Dat kwam hard aan, omdat het waar was. Ik had er vooral last van dat ze mij niet begrepen. Marijke zat nog steeds elke dinsdag bij Ria aan de koffie. Zij hoorde de opmerkingen die ik niet hoorde. Dat ik haar achterliet met mijn rare fase. Dat ik vast binnenkort ons huis wilde verkopen voor een pipowagen. Dat ik altijd al iets dramatisch in me had gehad, wat onzin is. Ik ben mijn hele leven juist degene geweest die bleef als het moeilijk werd.
In november kwam het echt op tafel. We zouden met de vriendengroep een weekend naar een hotel bij Domburg gaan, zoals we vaker deden. Ik had gezegd dat ik niet meeging, omdat er datzelfde weekend bij De Es een bouwdag was voor een nieuwe gemeenschappelijke schuur. Ik had me daar maanden eerder voor opgegeven.
Jan belde me op. Niet boos aan het begin. Hij vroeg of alles goed ging tussen Marijke en mij. Daarna zei hij dat iedereen er een beetje klaar mee was dat alles tegenwoordig om De Es draaide.
“Je doet alsof wij allemaal verkeerd leven,” zei hij.
Dat heb ik nooit gezegd. Ik heb nooit gezegd dat Jan zijn camper belachelijk is, of dat Ria geen nieuwe keuken mag willen. Maar ik snap inmiddels wel waarom het zo voelde. Als je al veertig jaar ongeveer hetzelfde doet en iemand stapt ineens uit dat patroon, dan lijkt diegene zonder iets te zeggen toch commentaar te geven.
Een week later kwamen Jan en Ria bij ons eten. Koos en Ellen ook. Arie en Monique hadden afgezegd, zogenaamd vanwege griep. Marijke had stoofvlees gemaakt. Ik vond dat bijna pijnlijk toepasselijk: vertrouwd eten, dezelfde schaal die we al jaren gebruiken, dezelfde mensen rond de tafel.
Na het dessert zei Jan dat hij iets kwijt wilde. Hij sprak rustig, bijna te rustig.
Hij zei dat we allemaal ouder werden en dat je elkaar dan juist niet kwijt moet raken aan “projecten”. Dat De Es best een mooie hobby kon zijn, maar dat ik volgens hem moest stoppen met er zoveel tijd en geld in steken. Ik had namelijk ook 7.500 euro uit mijn pensioenpotje toegezegd voor de zonnepanelen op de schuur. Dat bedrag was van ons samen, al hadden Marijke en ik het vooraf besproken.
“Niet voor altijd misschien,” zei Ria. “Maar gewoon even terug naar normaal. Voor de harmonie.”
Marijke keek naar haar bord. Ik weet nog dat er een stukje wortel op de rand van haar lepel lag. Dat is zo’n onbenullig detail dat kennelijk blijft hangen.
Ik werd boos. Veel bozer dan nodig was. Ik zei dat ik geen toestemming hoefde te vragen om mijn tijd zinvol te besteden. Koos zei dat niemand dat beweerde. Ellen huilde, wat me nog steeds dwarszit, omdat zij eigenlijk altijd de bemiddelaar is geweest.
Marijke zei uiteindelijk: “Dit is niet eerlijk. Jullie vragen hem niet om minder te doen. Jullie vragen hem om weer dezelfde te worden.”
Niemand zei daarna nog veel. We hebben koffie gedronken, heel Nederlands en heel ongemakkelijk. Jan en Ria vertrokken zonder jas aan de kapstok te laten hangen zoals ze normaal deden. Ze namen hem meteen mee.
Dat was afgelopen winter. Sindsdien is er geen grote knal geweest. Misschien was die avond de knal al.
Ik ga nog steeds naar De Es, nu meestal op dinsdag en donderdag. Marijke komt soms mee, vooral als er een gezamenlijke maaltijd is. Ze zegt dat ze de rust er fijn vindt, maar ze wil ons huis niet verkopen en ze wil ook niet volledig uit het dorp verdwijnen. Dat snap ik. Haar hele sociale leven zit hier, en ik ben degene die dat aan het verschuiven is.
Met Koos heb ik vorige week voor het eerst weer koffie gedronken. Hij vertelde over zijn kleindochter en vroeg daarna, wat stijfjes, hoe het met die zonnepanelen ging. Jan heb ik alleen gezien bij de supermarkt. We knikten naar elkaar bij het schap met koffiebonen. Hij zei dat de camper in april naar Kroatië gaat. Ik zei dat dat mooi klinkt. Dat meende ik ook.
Het weekend Domburg is zonder ons doorgegaan. Marijke vond de foto’s in de groepsapp moeilijker dan ze had verwacht. Acht mensen aan een tafel bij een strandtent, allemaal met de wind door hun haar, alsof er niets veranderd was.
Ik weet niet of ik mijn oude vrienden kwijt ben of dat we gewoon een tijdje niet weten hoe we elkaar moeten vasthouden. Volgende maand is er een open dag bij De Es. Ik heb Jan en Ria niet uitgenodigd. Misschien laf. Misschien respectvoller.
De uitnodiging ligt nog als concept in mijn telefoon.