Na veertig jaar elke zaterdag regelen, wilde ik eindelijk eens niet weten waar we gingen eten

Vorige maand zat ik op een dinsdagochtend met een kop thee aan de keukentafel en kreeg ik zeven meldingen achter elkaar in onze groepsapp. Niet omdat er iets ergs was gebeurd. Het ging over waar we die zaterdag zouden eten.

“Nou, Marijke?” schreef Kees uiteindelijk. “Jij weet toch altijd wel iets leuks.”

Ik heb mijn telefoon omgedraaid en ben de was gaan opvouwen. Dat klinkt kinderachtig misschien, maar ik voelde gewoon weerstand. Niet eens boosheid in eerste instantie. Meer een soort moeheid waarvan ik niet wist dat die zo diep zat.

Wij zijn met acht mensen: mijn man Henk en ik, Kees en Ria, Ton en Els, en Bert en Anja. We kennen elkaar sinds eind jaren tachtig, toen we allemaal net in onze eerste koophuizen zaten in Nieuwegein. Kleine kinderen, weinig geld, van die avonden met een pan chili en een fles wijn die iedereen te zuur vond maar toch opdronk. Later werden het etentjes, weekendjes weg, verjaardagen, Tweede Kerstdag bij de een en nieuwjaarsdag bij de ander.

Eigenlijk zagen we elkaar bijna iedere zaterdag. Niet altijd compleet, maar meestal wel. En ik was degene die dat gaandeweg regelde. Eerst omdat ik het leuk vond. Daarna omdat ik er blijkbaar handigheid in had. Ik wist wie niet tegen te veel lawaai kon, wie geen vis lustte maar daar liever geen gedoe over maakte, welke datum Ton nooit kon vanwege zijn bridgeavond en wanneer Ria op haar kleinkinderen paste.

Ik maakte lijstjes. Ik reserveerde. Ik stuurde herinneringen als niemand reageerde. Als een restaurant dicht bleek te zitten, had ik al twee alternatieven. Iedereen zei altijd: “Wat zouden we zonder jou moeten?” En ik nam dat op als een compliment.

Tot ik vorig jaar met pensioen ging.

Ik werkte 34 jaar bij de gemeente Utrecht, eerst aan de balie en later op Burgerzaken. Ik had altijd gedacht dat ik na mijn pensioen vanzelf zou gaan genieten van alle tijd. Maar in het begin gebeurde het tegenovergestelde. Mijn agenda bleef vol, alleen nu met dingen die ik kennelijk zelf moest willen. Oppassen, koffie, een ziekenhuisritje voor mijn zus, die groepsapp, de administratie van de buurtvereniging omdat ik “toch tijd had”.

Henk werkt nog drie dagen per week, maar stopt volgend voorjaar. We hadden het er al jaren over gehad: een paar weken met de trein door Duitsland, in april eens naar de Waddeneilanden als het er nog rustig is, misschien buiten het hoogseizoen naar Portugal. Niet alles dichttimmeren. Gewoon op een woensdag besluiten dat het weer goed wordt en een hotelletje boeken.

Dat past niet bij elke zaterdag beschikbaar zijn en op maandag alweer beginnen met regelen voor de volgende.

Dus heb ik het in januari rustig in de groep gegooid. Tijdens een etentje bij ons thuis, nota bene. Ik had stoofperen gemaakt en lasagne, want natuurlijk had ik weer voor iedereen gekookt.

Ik zei: “Ik wil vanaf maart stoppen met het plannen. Niet met jullie afspreken, hè. Maar ik wil niet meer degene zijn die alles trekt. Het lijkt me fijn als we een rooster maken of dat iedereen af en toe iets organiseert.”

Het werd even stil. Ik dacht nog: ze moeten gewoon wennen aan het idee.

Els zei als eerste dat zij “best wel eens iets wilde prikken”, maar dat ze door haar werk onregelmatig was. Ze werkt twee dagen in een apotheek.

Ria keek me aan alsof ik had gezegd dat we gingen emigreren. “Maar jij vindt dat toch juist leuk?”

“Vond ik ook leuk,” zei ik. “Alleen niet meer iedere week.”

Kees lachte een beetje en zei: “Ach Marijk, jij bent er gewoon goed in. Voor jou is het toch een appje en klaar?”

Dat zinnetje bleef hangen. Een appje en klaar. Alsof die veertig jaar uit één appje bestonden.

Henk zei toen: “Dan kan iemand anders het toch ook leren?” Hij bedoelde het goed, maar ik zag meteen dat de sfeer kantelde. Bert haalde zijn schouders op en zei dat het niet om leren ging, maar om “de vanzelfsprekendheid”. Anja zei dat mensen tegenwoordig al zo weinig vaste contacten hadden en dat we voorzichtig moesten zijn met wat we hadden.

Dat vond ik moeilijk, want daar had ze gelijk in. Ik wil deze mensen niet kwijt. We hebben elkaar door ziekte, ontslagen, scheidingen van onze kinderen en begrafenissen heen gesleept. Toen mijn moeder overleed, stonden zij allemaal in de regen bij het crematorium. Toen Henk een bypass kreeg, bracht Ria drie weken lang eten langs, zonder dat ik erom had gevraagd.

Maar ik dacht ook: juist daarom zou het toch niet alleen aan mij mogen hangen?

In maart heb ik niets meer gepland. De eerste zaterdag bleef het opvallend stil in de app. Op donderdag vroeg Ton: “Gaat er nog iets gebeuren?” Niemand reageerde urenlang. Uiteindelijk stelde Henk voor om gewoon bij ons een borrel te doen, maar ik heb hem onder de tafel een schop gegeven. Niet hard, maar hij begreep het.

Later zei hij thuis: “Ik probeer je te helpen.”

“Ik weet het. Maar als wij ons huis weer aanbieden, verandert er niks.”

Die zaterdag zijn we met z’n tweeën naar de film geweest. Daarna aten we patat uit een puntzak op de bank. Het was eigenlijk heel gezellig. Tegelijk voelde ik me beroerd, omdat ik steeds op mijn telefoon keek.

De week erna regelde Els een restaurant. Ze stuurde één datum en een linkje. Vier mensen konden niet. Toen zei ze dat ze er geen energie voor had om eindeloos heen en weer te appen. Kees antwoordde: “Zie je nou wel waarom Marijke het deed?”

Alsof ik erbij zat als bewijsstuk.

De daaropvolgende zaterdag gingen we toch met z’n allen eten, maar het was anders. Ria begon over onze geplande treinreis naar Duitsland. “Dus als jullie straks drie weken weg zijn, moeten wij maar zien hoe we het oplossen?” zei ze, half lachend.

Ik zei dat ze natuurlijk gewoon zonder ons konden afspreken.

“Dat is niet hetzelfde,” zei ze.

Toen zei ik iets waar ik achteraf spijt van heb. Ik zei: “Blijkbaar is het ook niet hetzelfde als ik er wel ben, zolang ik niet aan het werk ben.”

Dat viel verkeerd. Iedereen keek naar zijn bord. Henk kneep even in mijn hand, maar ik trok die weg. Ik wilde niet getroost worden alsof ik ineens heel zielig was, terwijl ik zelf ook scherp had gedaan.

De echte klap kwam via Anja. Niet eens rechtstreeks. Zij belde me twee dagen later omdat ze “niet wilde roddelen, maar het toch eerlijk wilde zeggen”. Bert had bij Kees en Ria geopperd om met een paar mensen een aparte appgroep te beginnen. Voor mensen die wel bereid waren “mee te bouwen”, zoals hij het noemde.

Anja zei dat ze het overdreven vond, maar ze zei ook: “Ik snap ergens wel dat zij zich in de steek gelaten voelen. Jij bent vrij nu. Voor hen voelt het misschien alsof je ineens geen zin meer hebt.”

Ik heb haar bedankt voor haar eerlijkheid, opgehangen en in de bijkeuken gehuild tussen de lege flessen die nog naar de glasbak moesten. Niet netjes huilen. Gewoon met zo’n dichtgeknepen keel waarbij je je schaamt dat je er zo veel last van hebt.

Henk vond me daar. Hij zei dat we die reis moesten boeken, diezelfde avond nog. Uit baldadigheid bijna. Alsof een boekingsbevestiging alles duidelijk zou maken.

Maar ik kon dat niet. Ik zat met de laptop open en kreeg het niet voor elkaar om op betalen te drukken. Ik dacht aan Ria met haar thermoskan bij het ziekenhuis. Aan Els die altijd mijn verjaardagstaart meenam omdat ik slecht bak. Aan Bert, die soms bot is maar Henk destijds wel naar zijn eerste controle na de operatie reed.

We hebben uiteindelijk nog niks geboekt.

Afgelopen zaterdag gingen Henk en ik wel naar Haarlem, gewoon een dagje. Ik heb in de app gezet dat we niet konden en niemand heeft iets teruggestuurd. Pas zondagavond kwam er een foto voorbij van zes glazen op een terras. Zonder tekst.

Ik weet niet of ze bewust zonder ons waren gegaan of dat het toevallig zo liep. Misschien maakt dat weinig verschil. Ik heb de foto gezien en mijn telefoon weer omgedraaid.

Vanavond staat er een afspraak met Ria in mijn agenda. Alleen koffie, bij haar thuis. Ik heb geen idee of het over vroeger gaat, over die nieuwe appgroep, of gewoon over haar kleindochter die naar groep 3 is gegaan.

Ik neem in ieder geval geen agenda mee.