Na veertig jaar vriendschap dreigt een droom in Zuid-Frankrijk ons uit elkaar te trekken

De groepsapp heet nog steeds ‘De Vier Musketiers’, maar sinds januari kijkt niemand er echt meer onbevangen in.

Vroeger stuurden we er foto’s van kleinkinderen, een slecht gekapte heg, een aanbieding voor wijn bij de Plus. Nu staat er soms drie dagen niets in. En als er wel iets komt, een duimpje van mij of een hartje van Els, voelt het alsof we allemaal heel voorzichtig over een vloer lopen waarvan we weten dat er ergens een losse plank zit.

Ik ben Henk, 67, sinds anderhalf jaar met pensioen. Mijn vrouw Marjan is 65 en stopte afgelopen zomer in de zorg. Onze beste vrienden zijn Pieter en Anja. We kennen elkaar sinds 1984, van de camping in Zeeland. Pieter en ik hadden toen nog snorren waar we allebei achteraf spijt van hebben gehad. Onze oudste kinderen zijn ongeveer tegelijk geboren, we hebben samen Oud en Nieuw gevierd, scheidingen van broers en zussen meegemaakt, sterfgevallen, verbouwingen, gedoe met ouders. Niet dat we elke week bij elkaar over de vloer kwamen, zeker de laatste jaren niet, maar het was zo’n vriendschap waarbij je niet hoefde uit te leggen waarom je belde.

Pieter en Anja waren altijd al de mensen met plannen. Zij kochten als eerste een vouwwagen, later een camper. Zij gingen op fietsvakantie in de regen en kwamen terug met het verhaal dat het ‘juist lekker puur’ was geweest. Wij gingen met de kinderen naar een stacaravan in Renesse en vonden dat eigenlijk ook prima.

Afgelopen najaar kwamen ze bij ons eten met een map. Echt een map, met tabbladen. Pieter legde die tussen de schaaltjes borrelnootjes op tafel en ik dacht nog: daar komt een testament of een timeshare uit.

Het bleek een voormalige wijnboerderij te zijn in de Gard. Geen kasteel, gelukkig niet. Een oud huis met drie gîtes, een binnenplaats, wat grond eromheen en een zwembad dat volgens de foto’s vooral veel onderhoud nodig had. Hun idee was om er een kleinschalige B&B van te maken, geen massagedoe of yoga-retreat, maar gewoon een fijne plek voor fietsers en Nederlanders die zon willen zonder in een park te zitten.

En ze wilden het met ons doen.

Niet alleen een paar weken helpen in de zomer. Echt samen kopen, ieder voor een deel investeren, om en om daar zijn. Pieter had al berekend hoeveel eigen geld er nodig was, wat de verwachte omzet kon zijn, hoe lang het seizoen liep. Anja had foto’s opgeslagen van tweedehands Franse tafels en linnen servetten. Marjan zat ernaar te kijken met een gezicht dat ik in jaren niet zo bij haar had gezien.

Ze zei: ‘Dit is toch precies waar we het altijd over hadden? Dat we na ons werk niet alleen maar op maandag naar de markt gaan en op woensdag oppassen.’

Ik weet dat ze dat niet gemeen bedoelde. Toch voelde ik het alsof ons leven hier ineens werd weggezet als een soort wachtkamer.

We wonen in een rijtjeshuis in Deventer. Niet groot, niet bijzonder, wel ons huis. Onze dochter woont tien minuten fietsen verderop met haar man en twee kinderen, Noor van zes en Mees van drie. Op donderdag haal ik Noor meestal van school. We eten dan pannenkoeken of tosti’s, afhankelijk van hoeveel zin ik heb. Mees noemt mij nog regelmatig ‘opa Henkie’, hoewel mijn dochter dat probeert af te leren. Ik wil daar niet overdreven sentimenteel over doen, maar die gewone donderdagmiddag betekent voor mij meer dan ik vroeger had gedacht.

Marjan zag dat anders. Zij zei dat we toch niet verdwenen zouden zijn. We konden terugkomen, de kinderen konden op vakantie langskomen, er was FaceTime. Ze had natuurlijk gelijk, voor een deel. Maar een kleinkind dat op een scherm zijn nieuwe tand laat zien is niet hetzelfde als een kind dat met plakkerige handen op je bank klimt.

De weken erna werd het onderwerp steeds groter doordat we het juist probeerden klein te houden. Bij Pieter en Anja ging het nergens anders meer over. Franse bankrekening, vergunningen, boekingssites, de vraag of gasten liever een Nederlands ontbijt of juist lokaal wilden. Ik raakte er al moe van als Pieter begon met: ‘Ik heb nog even iets uitgezocht.’

Een keer zei ik dat ik niet zeker wist of ik op mijn leeftijd nog zin had om een bedrijf te runnen in een land waarvan ik de taal slecht spreek.

Pieter lachte eerst. ‘Je hoeft geen roman te schrijven in het Frans, Henk. Bonjour, deux cafés, la facture. Dat red jij wel.’

Ik lachte niet mee. Toen werd het stil.

Marjan was kwaad op mij in de auto naar huis. Niet omdat ik twijfelde, zei ze, maar omdat ik het meteen doodpraatte. Ik vond dat onzin. Iemand moest toch de lastige vragen stellen? Wat als het tegenviel? Wat als een van ons ziek werd? Wat als we ons geld erin stopten en na drie jaar ontdekten dat we vooral bedden aan het verschonen waren voor mensen die klagen dat de wifi bij het zwembad niet werkt?

Maar onder al die praktische bezwaren zat iets waar ik me voor schaamde. Ik was bang dat Marjan daar gelukkiger zou zijn zonder mij dan hier met mij.

Zij heeft altijd makkelijk contact. Zelfs bij de tandarts weet ze na vijf minuten waar iemands dochter studeert. Ik ben degene die liever thuis de krant leest en blij is als er niet onverwacht mensen aanbellen. In Frankrijk zou zij gasten ontvangen, dorpelingen leren kennen, koken met Anja. Ik zag mezelf al met Pieter een lekkende sproeier repareren terwijl we allebei deden alsof het gezellig was.

In februari kwam het eruit, niet eens tijdens een groot gesprek. Marjan stond de vaatwasser uit te ruimen. Ik zei iets over de hypotheek die we misschien op ons huis zouden moeten nemen, en zij gooide een lepel iets te hard in de bestekbak.

‘Het gaat jou helemaal niet om dat geld,’ zei ze.

Ik zei dat geld natuurlijk wel degelijk geld was.

‘Nee. Jij wilt gewoon dat alles blijft zoals het is.’

Dat kwam hard aan, juist omdat het niet helemaal onwaar was. Ik zei vervolgens iets lelijks terug, dat zij ook niet moest doen alsof ze haar eigen dochter en kleinkinderen niet zou missen. Daar begon ze van te huilen. Niet hard, meer met haar rug naar mij toe, terwijl ze een pan afdroogde die al droog was.

Een paar dagen later belde Anja me. Ze klonk anders dan normaal, minder opgewekt.

‘Pieter heeft een optie moeten nemen,’ zei ze. ‘Anders waren we het huis kwijt. Maar we moeten wel binnen zes weken weten waar jullie staan.’

Ik vroeg wat zij zelf wilde.

Ze bleef even stil. ‘Ik wil dit heel graag. Maar ik wil ook niet dat we jullie kwijtraken vanwege een huis met afgebladderde luiken.’

Dat vond ik misschien nog het moeilijkst. Want niemand chanteerde ons. Pieter was te enthousiast en soms bot, ja. Marjan voelde zich door mij afgeremd. Maar Anja en ik waren blijkbaar allebei bang om iets te verliezen dat niet in zo’n map met berekeningen past.

Uiteindelijk heb ik gezegd dat ik niet meedoe. Niet financieel en niet praktisch. Ik heb er twee nachten slecht van geslapen voordat we het Pieter en Anja vertelden. Marjan zat naast me aan hun keukentafel en zei bijna niets. Pieter knikte, heel strak. Hij zei dat hij het jammer vond, maar dat hij niet zijn hele plan kon laten afhangen van onze twijfel.

Dat snapte ik. Toch stak het.

Ze hebben het huis gekocht. Volgende maand gaan ze voor de eerste keer drie maanden. Marjan gaat twee weken mee om te helpen met schilderen en bedden opmaken. Ik heb gezegd dat dat prima is. Ik meen het ook, denk ik. Of ik probeer het in elk geval te menen.

Donderdag haalde ik Noor op van school. Ze vertelde onderweg dat ze later ‘bij opa in Frankrijk’ wilde zwemmen. Ik zei dat opa voorlopig gewoon in Deventer woont.

‘Maar je kunt toch ook twee opa’s zijn?’ zei ze.

Thuis maakte ik tosti’s. Eén was aan de rand zwart geworden. Noor vond juist die de lekkerste.