Na 34 jaar dreigt onze vrijdagavondgroep uiteen te vallen door één nieuwe gewoonte

Ik heb afgelopen vrijdag voor het eerst in jaren expres niet mijn tas klaargezet voor de vrijdagavond.

Normaal gaat dat bijna automatisch. Rond vijf uur een appje in onze groep, iemand die vraagt of er nog bitterballen nodig zijn, mijn man Henk die roept dat hij ‘alleen even zijn schoenen aantrekt’ en vervolgens twintig minuten naar Studio Sport zit te kijken. Dan naar Paul en vroeger zijn vrouw Els, of naar ons, of naar Ingrid en Theo. Om beurten. Al sinds de kinderen klein waren.

We zijn nu begin zestig. Onze kinderen wonen allemaal op zichzelf, een paar hebben zelf weer kleine kinderen. Maar die vrijdagavond was blijven bestaan. Niet elke week even uitbundig, soms zaten we gewoon met z’n achten om de tafel en ging het over een lekkende dakkapel, de zorgverzekering, Ajax dat weer eens verloor, of wie er naar welke specialist moest. Juist dat gewone vond ik fijn. Je hoefde niet leuk te zijn. Je mocht ook een beetje chagrijnig binnenkomen.

Els is drie jaar geleden overleden. Dat was verschrikkelijk, vooral voor Paul. Longkanker, snel gegaan. De groep heeft hem er echt doorheen gesleept, voor zover je iemand daar doorheen kunt slepen. Henk ging met hem naar afspraken als zijn zoon niet kon. Ingrid bracht eten. Ik deed zijn administratie een tijdje, omdat hij enveloppen gewoon ongeopend op de keukentafel liet liggen.

Toen Paul ruim een jaar geleden met Marije kwam, was ik oprecht blij voor hem. Ze leek energiek, ze nam hem mee wandelen, ze kreeg hem weer aan het lachen. Ze is een paar jaar jonger dan wij, eind vijftig denk ik, en ze werkt of werkte in iets met leefstijlcoaching. Ik weet het niet precies, want als je het haar vraagt krijg je geen kort antwoord.

In het begin waren het kleine dingen.

Ze vroeg of we misschien geen vlees meer wilden bestellen als zij erbij was. Dat vond ik niet zo’n punt. Toen stelde ze voor om de chips te vervangen door ongezouten noten en groente met hummus. Ook prima, dacht ik. Alleen Henk mopperde thuis dat hij na drie glaasjes wijn geen worteltjes wilde knagen, maar goed, hij at ze gewoon op.

Daarna werd het ingewikkelder. Bij Theo en Ingrid mocht er niet binnen gerookt worden, wat niemand ook deed, maar Marije vond de geur van sigarenrook in Theo’s jas ‘echt heel belastend’. Theo rookt buiten, al jaren. Hij is 64 en heeft COPD, dus ja, ik zie de ironie heus wel. Maar hij keek alsof hij een stout jongetje was toen zij dat zei.

Op een avond vertelde Karin dat haar dochter weer tijdelijk thuis woonde na een scheiding. Dat was geen lichte situatie. Die dochter had weinig geld, sliep slecht en er was gedoe over de omgang met haar zoontje. Marije zei toen dat ze daar voorzichtig mee moest zijn, omdat ‘we wel heel snel iemand in een slachtofferrol zetten’. Het werd stil. Karin knikte alleen maar en ging daarna de glazen afwassen terwijl ze bij Ingrid thuis was.

Ik had iets moeten zeggen. Dat weet ik. Maar je wilt zo’n avond niet laten kantelen om één opmerking. Dat was precies waar Henk zich steeds aan vastklampte.

‘Ze bedoelt het niet verkeerd,’ zei hij als ik er thuis over begon.

‘Nee, maar het komt wel verkeerd over.’

‘Paul heeft het eindelijk weer goed. Moeten wij dan moeilijk gaan doen?’

Dat laatste vond ik altijd gemeen, al zei hij het niet gemeen. Alsof mijn irritatie betekende dat ik Paul zijn geluk niet gunde. Ik gunde hem Marije. Ik gunde hem zelfs haar zuurdesembrood en haar eindeloze verhalen over microplastics. Ik wilde alleen niet dat wij allemaal langzaam in haar agenda gingen wonen.

Een maand geleden kregen we een bericht in de groepsapp. Marije stelde voor om de vrijdagavond voortaan in een natuurcentrum buiten de stad te doen. Daar zat een biologisch restaurant bij, volledig plantaardig, met lezingen en soms een stiltewandeling vooraf. Ze noemde het ‘een bewuste nieuwe fase voor onze groep’.

Het natuurcentrum ligt ergens voorbij Hilversum. Vanaf ons is het drie kwartier rijden als er geen file staat. Karin rijdt ’s avonds niet meer graag sinds haar oogoperatie. Theo kan ook niet zomaar ver; hij is afhankelijk van zijn inhalers en wil niet uren in een auto zitten. En eerlijk gezegd: ik heb geen zin om iedere vrijdag 32 euro voor een hoofdgerecht met gefermenteerde knolselderij neer te leggen, plus benzine, plus parkeren. Wij hebben het niet slecht, Henk heeft een goed pensioen uit de bouw en ik werk nog twee dagen bij een tandartspraktijk, maar we letten wel op.

Ik reageerde vrij snel. Misschien te snel.

Ik schreef dat het voor een deel van de groep niet praktisch of betaalbaar was en dat ik liever bij het rouleren thuis bleef. Ik zette er nog een smiley achter, waar ik nu bijna spijt van heb. Alsof je iets vervelends vriendelijk kunt maken met een geel hoofdje.

Marije antwoordde dat verandering soms ongemakkelijk is, maar dat gezondheid en verbinding ook vragen om ‘oude patronen los te laten’. Daarna stuurde Paul alleen: ‘Lijkt mij mooi om eens te proberen.’

Dat deed me meer dan ik verwacht had. Niet eens door Marije, maar door Paul. Hij wist wat die avonden voor ons waren. Hij wist ook dat Theo niet ver komt zonder gedoe en dat Karin sinds haar scheiding iedere euro omdraait. Toch zei hij niets daarover.

Ingrid belde me later. Ze zei zachtjes dat ze er ook geen zin in had, maar dat zij Theo niet wilde opjutten. ‘Hij zit al zo snel hoog in zijn ademhaling, letterlijk en figuurlijk.’ We moesten er allebei om lachen, heel flauw. Daarna zei ze: ‘Misschien moeten we gewoon een keer meegaan.’

Dat “een keer” ken ik inmiddels. Een keer geen vlees. Een keer geen wijn, want alcohol paste niet bij de detoxweek van Marije. Een keer niet over politiek, omdat het de sfeer zou verlagen. Voor je het weet, ben je degene die lastig doet als je weer gewoon een gehaktbal wilt eten en over iets anders wilt praten dan je darmflora.

Henk en ik kregen er vorige woensdag flinke ruzie over. Niet schreeuwen of deuren slaan, zo zijn wij niet. Maar wel dat nare, vlakke praten waarbij je allebei voelt dat het eigenlijk over meer gaat.

Ik zei dat ik niet mee zou gaan naar dat natuurcentrum. En ook niet zou blijven aanmodderen als de rest besloot dat dit voortaan onze vrijdagavond werd.

Henk keek me aan alsof ik had gezegd dat ik wilde scheiden.

‘Dus jij zet vierendertig jaar vriendschap op het spel om een restaurant?’

‘Het gaat niet om een restaurant, Henk.’

‘Nee, voor jou gaat het nooit om één ding.’

Dat kwam hard aan, omdat het misschien gedeeltelijk waar is. Ik heb altijd moeite gehad met mensen die bepalen wat goed voor anderen is. Mijn moeder deed dat ook. Niet met gezondheid, maar met hoe je je huis moest inrichten, hoe lang je rok hoorde te zijn, wanneer je kinderen naar bed moesten. Ik ben daar misschien sneller allergisch voor dan een ander.

Maar ik zei ook: ‘Jij bent zo bang dat Paul zich gekwetst voelt, dat je niet ziet dat de rest zich al maanden aanpast.’

Hij zei niets. Hij stond op en ging de vaatwasser uitruimen, terwijl die nog niet eens klaar was. Dat doet hij als hij niet weet wat hij moet zeggen.

Vrijdag ging Henk wel. Ik heb hem niet tegengehouden. Ik heb stamppot gemaakt voor mezelf, veel te veel, en heb daarna op de bank een aflevering gekeken die ik niet kon volgen omdat ik steeds op mijn telefoon keek.

Rond half elf kwam hij thuis. Hij had een tas bij zich met twee potjes kimchi die Marije voor ons had meegegeven. Hij zette ze op het aanrecht en deed heel rustig zijn jas uit.

‘En?’ vroeg ik.

Hij zei dat het niet doorging. Theo had in de app gezet dat hij niet naar Hilversum kwam. Karin had daarop gezegd dat zij dan ook liever gewoon bij iemand thuis zat. Ingrid had een duimpje gestuurd. Paul had pas uren later gereageerd met: ‘Dan moeten we dit maar even bespreken.’

‘En Marije?’ vroeg ik.

Henk haalde zijn schouders op. ‘Die heeft de groep verlaten.’

Ik voelde geen opluchting. Eerder iets naars in mijn buik. Alsof ik gewonnen had in een wedstrijd waar ik helemaal niet aan mee wilde doen.

Vanmorgen heeft Paul me apart geappt. Hij schreef dat hij het gevoel heeft dat niemand Marije een kans geeft en dat hij niet weer tussen mensen wil moeten kiezen. Ik heb het bericht drie keer gelezen. Ik heb nog niet geantwoord.

De potjes kimchi staan nog steeds op het aanrecht. Henk zei gisteren dat ze in de koelkast moeten, maar ik ben ze vergeten. Of niet vergeten, eigenlijk.