Na 34 jaar vriendschap zei ik nee tegen een vakantie, en nu voelt het alsof ik iemand heb laten vallen

Het begon eigenlijk met een agenda die ineens voller was dan toen ik nog werkte.

Ik ben 63, sinds twee jaar met pensioen, en mijn vrouw Els is 61. Wij kennen Henk en Marja al sinds onze kinderen op dezelfde basisschool zaten, in 1989 geloof ik. Eerst stonden we samen langs het voetbalveld in de regen. Later gingen we kamperen in Frankrijk, aten we elke eerste kerstdag bij hen en fietsten we op zondag door de polder. Het was nooit ingewikkeld. Henk hielp mij met de schutting, ik reed hem naar het ziekenhuis toen hij zijn knie had laten opereren. Marja paste op onze dochter toen mijn moeder onverwacht in het ziekenhuis lag. Zo ging dat gewoon.

We hadden ook allemaal ons eigen leven. Henk werkte bij een installatiebedrijf, Marja in een woonwinkel. Els zat in het onderwijs en ik was planner bij een transportbedrijf. Soms zagen we elkaar drie weken niet, en dan belde iemand op vrijdagmiddag: “Zullen we morgen even een stuk fietsen?” Dat voelde nooit als een test. Als je niet kon, kon je niet.

Sinds Henk en Marja anderhalf jaar geleden met pensioen gingen, is dat veranderd. Niet van de ene op de andere dag misschien. Eerst vond ik het juist leuk dat ze zoveel plannen hadden. Koffie op dinsdagochtend. Wandelen op donderdag. Een museum, een rommelmarkt, een lunch ergens waar je dan twintig minuten naar parkeerplek zoekt. Henk stuurde berichten in onze groepsapp met foto’s van zijn ontbijt of van een merel in de tuin.

Daar is op zichzelf niks mis mee. Ik kijk ook wel eens naar een merel.

Maar als ik niet reageerde, kwam er na een uur: “Alles goed?” En als ik zei dat ik die week liever thuis bleef, zei Marja vaak: “Jullie hebben zeker weer andere plannen.” Op zo’n toon dat ik me meteen een beetje een eikel voelde.

Els zag het anders. Zij zei dat Henk en Marja na hun pensioen in een gat waren gevallen. Hun zoon woont in Zweden, hun dochter in Zwolle maar die heeft een druk gezin. Ze zagen hun kleinkinderen minder dan ze hadden gedacht. Marja’s zus was vorig jaar overleden. “Ze hebben gewoon behoefte aan mensen,” zei Els dan. “Wij weten toch hoe dat voelt als je dagen ineens leeg zijn?”

Dat wist ik ook. Alleen waren mijn dagen niet leeg. Ik wilde eindelijk mijn modelspoorbaan afmaken, zonder dat ik om half elf al mijn jas aan moest omdat Henk ergens om twaalf uur gereserveerd had. Ik wilde een paar dagen alleen met Els naar Zeeland, of juist eens op woensdagmiddag met mijn oude collega’s biljarten. En soms wilde ik gewoon in de tuin zitten met de krant, zonder dat er iets van mij verwacht werd.

Ik zei dat te weinig hardop. Dat is ook mijn aandeel hierin.

Meestal mompelde ik iets als: “We kijken even.” Els zei vervolgens: “Leuk, doen we.” En dan gingen we. Ik zat dan heus niet de hele tijd met een lang gezicht. Henk kan enorm droog uit de hoek komen en Marja maakt een geweldige huzarensalade, hoe ouderwets dat ook klinkt. Maar ik merkte dat ik al moe werd zodra mijn telefoon trilde.

In november hadden we een etentje bij ons. Henk had al twee keer die week gebeld. Een keer omdat zijn nieuwe bril niet goed zat, een keer omdat hij zich ergerde aan zijn buurman die de kliko verkeerd neerzette. Tijdens het eten vertelde Marja dat zij en Henk een huisje hadden gevonden in de Ardèche. Drie weken in juni. Groot huis, zwembad, vier slaapkamers.

“Dan kunnen jullie mee,” zei ze, alsof ze zei dat er nog wat stokbrood lag.

Els keek meteen op. Ze houdt van Frankrijk, ik ook trouwens. Vroeger gingen we vaak met z’n vieren, met de kinderen erbij. Maar drie weken? In juni? Voor bijna drieduizend euro voor ons deel, nog zonder benzine en uit eten? Ik kreeg het er warm van.

Ik zei dat we daar even over moesten nadenken.

Henk lachte. “Nou, zoveel valt er niet te denken. Jullie zijn toch vrij.”

Dat was waarschijnlijk als grap bedoeld, maar ik voelde iets knappen. Alsof mijn tijd, nu ik niet meer werk, ineens van iedereen was. Ik zei niets. Els trapte zacht tegen mijn voet onder tafel. Niet boos, meer waarschuwend.

De dagen daarna kwam het onderwerp steeds terug. Els zei dat we het konden betalen als we dit jaar niet ook nog een weekend naar Terschelling gingen en dat we misschien niet alles zo zwaar moesten maken. Ik zei dat het niet alleen om geld ging. Drie weken met Henk en Marja betekende dat we van ontbijt tot avondeten samen zouden zijn. Henk wil overal op tijd heen. Marja raakt van slag als plannen veranderen. Els en ik hebben de laatste jaren juist geleerd dat we niet meer alles samen hoeven te doen.

“Maar ze rekenen op ons,” zei Els.

“Dat is precies het probleem,” zei ik. “Ze rekenen niet op ons voor een vakantie. Ze rekenen op ons voor hun hele invulling.”

Daar werd ze stil van. Daarna zei ze dat ik hard was geworden sinds mijn pensioen. Dat deed pijn, vooral omdat ik zelf ook niet goed wist of ze gelijk had.

Een week later belde Marja. Els was boodschappen doen. Marja vroeg of we al geboekt hadden, want de eigenaar wilde zekerheid. Ik hoorde mezelf zeggen dat we niet meegingen.

Niet: we denken er nog over na. Niet: misschien volgend jaar. Gewoon: “Nee Marja, dat gaan we niet doen.”

Aan de andere kant bleef het heel even stil.

“Maar waarom niet?” vroeg ze.

Ik zei iets over drie weken te lang vinden en onze eigen plannen. Dat laatste was niet eens helemaal waar. We hadden nog geen concrete plannen, behalve dat ik die donderdag naar de oogarts moest en mijn spoorbaan nog steeds half op zolder lag.

Marja zei: “Henk zal dit heel jammer vinden. We dachten echt dat dit weer als vroeger kon worden.”

Ik zei dat vroeger niet terugkomt omdat je dat boekt via een vakantiehuisje. Meteen nadat ik het zei, wilde ik het terugnemen. Ze reageerde niet boos. Dat had misschien makkelijker geweest. Ze zei alleen: “Nou ja. Dan weet ik genoeg.”

Sinds dat gesprek is het vreemd. Henk heeft mij één keer een kort bericht gestuurd over de Ardèche: dat ze nu met een bevriend stel uit de straat gaan. Ik heb geantwoord: “Fijn dat het gelukt is.” Meer niet. Marja reageert wel op Els, maar afstandelijk. Els probeert alsof het niet zo is. Ze stuurt foto’s van onze kat en vraagt hoe het met hen gaat. Soms krijgt ze pas de volgende dag antwoord.

Vorige zondag fietste ik alleen langs hun huis. Dat doe ik wel vaker, het ligt op de route naar de dijk. De gordijnen waren dicht, terwijl het mooi weer was. Ik heb bijna aangebeld. Niet om alsnog mee te gaan, want dat wil ik nog steeds niet. Maar misschien om te zeggen dat ik niet weg wil uit hun leven. Alleen ook niet elke dinsdag, donderdag, zaterdag en zondag erin wil staan.

Thuis zat Els aan de keukentafel met haar telefoon in haar hand. Ze zei dat Marja een foto had gestuurd van het huisje. Vier glazen rosé op het terras. Er stond bij: “Had mooi kunnen zijn met jullie.”

Els keek me aan en zei niks.

Ik heb koffie gezet, te sterke koffie zoals altijd, en we hebben die zwijgend opgedronken. Volgende week heeft Henk zijn verjaardag. Els vindt dat we gewoon moeten gaan. Ik heb gezegd dat ik mee ga. Ik weet alleen nog niet of ik hem een hand geef, een omhelzing, of eerst maar vraag hoe de reisvoorbereidingen gaan.