Toen onze vriendschap langzaam veranderde in een zorgrooster

De reservehuissleutel van Henk en Marijke ligt nog steeds in het schaaltje bij onze voordeur. Soms zie ik hem liggen als ik mijn jas aantrek en dan krijg ik al een soort druk op mijn borst. Het is maar een sleutel. Toch voelt hij inmiddels als iets groters.

Ik ben 64, mijn vrouw Els is 62. We kennen Henk en Marijke sinds we eind jaren tachtig naast elkaar woonden in een rijtje in Nieuwegein. Onze kinderen zijn ongeveer tegelijk geboren, we hebben samen gekampeerd in Frankrijk, verjaardagen gevierd in te kleine achtertuinen, elkaars katten gevoerd. Toen mijn vader stierf, stond Henk zonder veel woorden mijn schuur op te ruimen, omdat hij wist dat ik anders iets om handen nodig had. Toen Els een paar jaar geleden aan haar knie geopereerd moest worden, bracht Marijke drie weken lang soep en boodschappen mee.

Het was nooit boekhouden. Juist dat maakte het zo fijn.

Henk had altijd iets kalms. Hij werkte bij de gemeente, afdeling vergunningen, en kon zich oprecht druk maken over een verkeerd geplaatste dakkapel. De laatste jaren begon hij dingen kwijt te raken. Eerst zijn pinpas, toen afspraken. Marijke lachte het in het begin nog weg. “Hij heeft gewoon een hoofd vol rommel.”

Maar op een zondagmiddag belde ze me op. Ze was heel stil. Henk was in de supermarkt de weg kwijtgeraakt. Niet letterlijk, hij was gewoon naar huis gekomen, maar hij had bij de kassa niet meer geweten waarom hij daar stond. Daarna ging het snel. Onderzoeken, gesprekken in het ziekenhuis, een diagnose waar ik nog steeds moeite mee heb om hem op te schrijven: beginnende dementie, waarschijnlijk Alzheimer.

We zeiden meteen dat we zouden helpen. Dat meen ik ook. Els en ik wilden er zijn. In het begin was het overzichtelijk. Ik reed Henk naar de huisarts als Marijke moest werken. Els ging af en toe met Marijke mee naar het ziekenhuis, omdat die gesprekken haar teveel werden. We haalden boodschappen als het regende. Heel normaal allemaal.

Alleen kwamen er steeds meer dingen bij. Marijke belde soms om half acht ’s ochtends omdat Henk zijn medicijnen niet wilde innemen. Of omdat hij boos was geworden toen zij zijn autosleutels had verstopt. Dan vroeg ze: “Kun jij even langskomen? Naar jou luistert hij misschien wel.”

En ik ging. Bijna altijd.

Els begon op woensdag standaard bij hen schoon te maken en eten klaar te zetten. Dat was ooit een keer ontstaan omdat Marijke een afspraak met de casemanager had. Daarna leek woensdag gewoon van hen te zijn. Ik deed de administratie. Eerst alleen een paar brieven van de zorgverzekering, later DigiD-zaken, formulieren voor huishoudelijke hulp, declaraties, een rekening die Henk twee keer had betaald. Ik ben niet eens goed met computers, maar Marijke raakte al in paniek als ze een blauwe envelop zag.

Ze bedankte ons voortdurend. Daar lag het niet aan. Ze zette koffie, vroeg hoe het met onze dochter in Zwolle ging, stuurde lieve berichtjes. Juist daarom voelde het zo gemeen dat ik steeds vaker zag dat Els na zo’n woensdag op de bank zat zonder iets te zeggen. Niet eens haar schoenen uit. Gewoon voor zich uitkijken.

Wij zijn ook geen jonge mensen meer. Ik heb last van mijn rug en Els helpt sinds kort één dag per week bij onze kleinzoon, omdat onze dochter na haar bevalling weer aan het werk is. We hadden plannen om in het voor- en najaar wat met de caravan weg te gaan. Niets spectaculairs, een weekje Drenthe of Zeeland. Dat stelden we steeds uit, want “je weet maar nooit met Henk”.

Het omslagpunt was eigenlijk iets kleins. Op een vrijdagavond zaten we net aan de stamppot toen Marijke belde. Henk had de waterkoker op het gasfornuis gezet. Er was niets gebeurd, zei ze meteen, maar ze trilde zo dat ik het door de telefoon hoorde. Natuurlijk gingen we erheen.

Toen we rond half elf weer thuis waren, zei Els: “Jan, dit houden wij niet vol.”

Ik werd boos op haar, wat achteraf heel laf was. Ik zei dat Marijke er ook niets aan kon doen. Els zei: “Dat zeg ik toch niet?” Daarna ging ze naar bed.

Een paar dagen later hebben we Marijke gevraagd of we konden praten. Henk zat in de woonkamer naar een natuurprogramma te kijken en herkende ons gelukkig nog gewoon. Marijke maakte thee en zei meteen dat ze wel wist waar het over ging.

Els had het opgeschreven, anders zou ze dichtklappen. Ze zei dat we wilden blijven helpen, maar niet meer op afroep. Dat we één vaste dag per twee weken konden komen: boodschappen, administratie, een paar uur bij Henk zodat Marijke iets voor zichzelf kon doen. Bij echte nood mochten ze natuurlijk bellen, maar niet meer voor alles wat diezelfde dag lastig was.

Marijke keek vooral naar haar handen. Ik dacht nog: ze begrijpt het.

Toen zei ze: “Dus ik moet nu een rooster maken voor wanneer ik mag instorten?”

Els begon meteen te huilen. Ik ook bijna, maar ik werd weer boos, omdat dat makkelijker is. Ik zei dat ze ons woorden in de mond legde. Marijke zei dat wij de enigen waren die Henk nog een beetje rustig kregen. “Echte vrienden laat je toch niet vallen als het moeilijk wordt?”

Dat kwam hard aan, juist omdat ik haar wanhoop snapte. Ze slaapt nauwelijks. Ze heeft haar werk in de bibliotheek teruggebracht naar zestien uur en zelfs dat lukt vaak niet. Haar zus woont in Groningen en komt af en toe, maar heeft zelf gedoe met haar man. Er is thuiszorg, maar die komt voor de zorgmomenten en verdwijnt daarna weer. De casemanager kan veel uitleggen, maar zit niet naast Marijke als Henk ’s nachts denkt dat hij naar kantoor moet.

Toch zei ik dat we bij ons besluit bleven.

Sindsdien is het anders. We gaan nog steeds om de week op donderdag. Ik neem de post door, Els kookt meestal iets dat in porties de vriezer in kan. Henk vraagt soms waarom we niet meer op woensdag komen. Dan zegt Marijke: “Omdat ze het druk hebben.” Niet boos, maar ook niet warm.

Afgelopen week belde ze op dinsdag. Henk was onrustig en zij moest naar de tandarts. Ik zat net met Els bij de fysiotherapeut voor haar schouder. Ik heb gezegd dat ik niet kon. Daarna heb ik drie keer bijna teruggebeld om toch maar ja te zeggen.

Ik weet nog niet of we goed bezig zijn. Misschien hadden we eerder hulp moeten regelen en hadden we ons er niet zo in moeten laten trekken. Misschien is één dag per twee weken belachelijk weinig als iemand zo alleen staat. Maar Els slaapt weer beter sinds we die afspraak hebben, en ik merk dat ik niet meer bij elk geluid van mijn telefoon overeind schiet.

De sleutel ligt nog steeds in het schaaltje. Ik heb hem niet teruggegeven. Daar ben ik blijkbaar ook nog niet aan toe.