Mijn man wilde met onze beste vrienden naar Zuid-Frankrijk verhuizen, maar ik kon mijn kleinkinderen en mijn broer niet achterlaten
‘Dus jij kiest wéér voor iedereen behalve voor ons?’
Harmen sloeg zijn vlakke hand op het aanrecht, vlak naast de schaal met druiven die ik die ochtend nog voor de kleinkinderen had gehaald. Ik schrok zo dat er eentje op de grond rolde. Aan de eettafel zaten Kees en Marijke stokstil. Er lag een uitgeprinte brochure tussen de koffiekopjes, met foto’s van honingkleurige huizen, lavendel en een klein dorpje in Zuid-Frankrijk waar ik tot die middag nog nooit van had gehoord.
Ik keek naar Harmen en dacht alleen maar: meen je dit echt?
We kennen Kees en Marijke al sinds 1984. Eerst waren we jonge ouders in dezelfde straat in Amersfoort. Toen samen kamperen in Zeeland, kerstavonden, ziekenhuiswachten, begrafenissen, verjaardagen, ruzies met pubers, oppassen op elkaars kinderen. Er was geen fase in mijn leven waarin zij niet ergens in de kamer zaten. Als iemand vroeg wie onze familie was, noemden we hen vaak als eerste. Zo hecht waren we.
Dus toen Kees vorige maand zei: ‘Wij gaan het gewoon doen. Alles verkopen. Opnieuw beginnen,’ lachten we nog.
Maar zij lachten niet.
Ze hadden al een makelaar gesproken. Een Nederlandse notaris die vaker emigraties begeleidde. Een huis op het oog. Geen villa, gewoon een groot oud pand met een binnenplaats, twee bijgebouwen en grond voor een moestuin. Hun idee was dat we daar met z’n vieren zouden wonen. Apart, maar toch samen. Een soort kleine gemeenschap. Eindelijk tijd voor leven, zei Kees. Samen eten, klussen, misschien chambres d’hôtes beginnen, olijfbomen huren, ik weet het. Harmen straalde alsof hij weer veertig was.
‘Dit is toch geweldig, Anja,’ zei hij die avond toen ze weg waren. ‘Waar blijven we hier eigenlijk nog voor?’
Ik moest gewoon even zitten.
‘Voor onze kleinkinderen misschien?’ zei ik. ‘Voor mijn broer?’
Hij zuchtte meteen. Dat deed pijn, meer dan zijn woorden.
Mijn broer Willem woont twintig minuten verderop in Soest. Beginnende dementie. Nog nét genoeg helder om zelf koffie te zetten en drie keer in één gesprek te vragen of het dinsdag is. Ik regel zijn afspraken, zijn boodschappen, de gesprekken met de casemanager. Niet omdat niemand anders het wil, maar omdat ik zijn zus ben. Omdat hij, toen wij klein waren, altijd voor mij opkwam. Dat laat je toch niet zomaar los?
En dan Noor en Daan, onze kleinkinderen. Woensdagmiddag staan ze hier met rozige wangen in de gang, jassen halfopen, ‘omaaa, mogen we een koekje?’ Dat zijn geen bijzaken. Dat is mijn leven.
Maar voor Harmen klonk het alsof ik excuses verzamelde.
‘Je leeft alleen nog voor verplichtingen,’ zei hij een week later. ‘Voor iedereen zorgen, overal inspringen. Wanneer kies je nou eens voor jezelf? Of voor mij?’
Ik werd zo boos dat ik mijn bril afzette en op tafel legde, alsof ik anders niet goed kon horen wat hij zei.
‘Dit ís ook voor mij,’ zei ik. ‘Dicht bij de mensen zijn van wie ik hou. Dat snap jij toch ook wel?’
‘Nee,’ zei hij. Heel rustig. ‘Ik snap niet dat jij altijd bang bent om te leven.’
Dat woord bleef hangen. Bang.
Alsof ik een klein leven had gekozen. Alsof liefde voor wat dichtbij is minder waard is dan een groot avontuur.
Twee weken daarna kwamen Kees en Marijke opnieuw. Serieus nu. Met cijfers. Onze huizen konden in deze markt goed weg. Als we allebei verkochten, konden we in Frankrijk niet alleen dat pand kopen, maar ook investeren in twee kleine gîtes. ‘Voor later, voor extra inkomen, voor samen,’ zei Marijke, terwijl ze met haar nagel op de spreadsheet tikte.
Ik voelde mijn hart in mijn keel kloppen.
‘Dus het plan is al rond?’ vroeg ik.
Kees keek even naar Harmen. Te lang.
Daar wist ik genoeg.
Harmen had al ja gezegd in zijn hoofd. Misschien zelfs hardop. Zonder mij echt mee te nemen. Ineens vielen kleine dingen op hun plek: fluisterende telefoongesprekken in de schuur, papieren in zijn leren tas, zijn rare opgewektheid de laatste weken.
‘Heb jij ons huis al min of meer verkocht voordat ik überhaupt besloten heb?’ vroeg ik.
‘Doe nou niet zo dramatisch,’ zei Harmen.
Dat was het moment dat ik echt brak.
Ik begon niet eens netjes te huilen. Gewoon lelijk, met een dichtgeknepen keel. Marijke schoof haar stoel naar achteren maar zei niets. Kees keek naar buiten. En Harmen… die bleef staan met zijn armen over elkaar, alsof ík degene was die iets kapot maakte.
‘Veertig jaar,’ zei ik. ‘Veertig jaar doen wij alles samen en nu voel ik me de laatste die mag weten dat mijn leven verplaatst gaat worden.’
Harmen liep weg naar de gang. Ik hoorde de voordeur open, weer dicht. Daarna stilte.
Later die avond zei hij: ‘Als jij dit niet wilt, dan weet ik niet hoe wij samen oud moeten worden.’
Ik zei: ‘Misschien is dat precies het probleem. Jij denkt dat samen oud worden betekent dat ik jou overal moet volgen.’
Hij keek me aan alsof hij me niet meer kende.
De weken erna werd ons huis koud, al stond de verwarming aan. Kees en Marijke stuurden nog appjes, eerst lief, toen afstandelijker. Marijke schreef: ‘We hadden gehoopt dat onze droom ook die van jullie was.’ Dat deed zeer. Alsof ik een verrader was van iets heiligs.
Uiteindelijk heb ik nee gezegd.
Niet zacht. Niet half. Gewoon nee.
Harmen is niet meteen weggegaan, maar iets tussen ons wel. Kees en Marijke vertrokken in april. We hebben ze uitgezwaaid op Schiphol. Vier mensen die ooit niet zonder elkaar konden, en niemand wist nog goed wie wie moest aankijken. Marijke huilde. Kees kneep in Harmens schouder. Ik gaf een doos stroopwafels mee, belachelijk eigenlijk, alsof zoiets nog hielp.
Nu zijn we acht maanden verder. Harmen en ik wonen nog samen, maar het schuurt elke dag. Soms laat hij foto’s zien van het Franse licht, de markt, de binnenplaats. Soms zwijgt hij uren. Ik ga op woensdag nog steeds pannenkoeken bakken met Noor en Daan. Ik rijd nog steeds naar Willem, die laatst vroeg of ik zijn moeder was. Ik heb in de auto daarna zo hard gehuild dat ik moest stoppen bij een tankstation.
Dus zeg het maar. Heb ik vastgehouden aan wat echt telt, of heb ik uit angst een nieuw leven kapot laten gaan?
En als iemand van je houdt, moet diegene dan met je meegaan in je droom… zelfs als die droom alles wegduwt wat haar ook gevormd heeft?