Toen Kees zei dat onze donderdagavond nog maar één keer per maand mocht bestaan, voelde het alsof hij na veertig jaar zomaar de stekker uit ons leven trok
‘Eén keer per maand lijkt ons toch meer dan genoeg?’ zei Kees, terwijl hij met twee vingers tegen zijn koffiekop tikte alsof hij het over een abonnement had dat je best kon opzeggen.
Ik keek hem aan en dacht eerst dat ik hem verkeerd verstaan had. Naast me schoof mijn man Henk zijn stoel naar achteren, heel langzaam, dat doet hij alleen als hij kwaad wordt en zichzelf nog net in bedwang houdt.
‘Ons?’ vroeg ik. ‘Wie is ons, Kees?’
Marjan, zijn nieuwe vrouw, sloeg haar armen over elkaar. ‘Wij. We zijn getrouwd. We willen ook rust. Niet elke donderdag mensen over de vloer of ergens zitten tot half elf. We zijn geen dertig meer.’
Dat laatste kwam aan als een sneer, juist omdat wij dat ook allang niet meer zijn. We zijn allemaal in de zestig. Juist daarom waren die donderdagen zo heilig geworden. Sinds de kinderen uit huis zijn, sinds de pensioenen dichterbij kwamen, sinds er lege stukken in de week zaten waar je eerst niet eens erg in had. Donderdag was nooit zomaar een avond. Het was vaste grond.
Al 37 jaar aten we om de beurt bij elkaar. Eerst met kinderstoelen, jassen op een hoop in de gang, pannen macaroni en gezeur over schoolmusicals. Later met wijn, koffie, bitterballen uit de airfryer en dezelfde verhalen die juist fijn waren omdat ze bekend waren. Kees en Ria hoorden daarbij. Toen Ria drie jaar geleden overleed, hebben wij hem opgevangen. Henk heeft zijn heg gesnoeid, ik heb stamppot gebracht, we hebben hem niet laten vallen. Geen seconde.
En nu zat hij aan mijn eettafel met een nieuwe vrouw van amper een jaar in zijn leven, en die bepaalde ineens dat onze vriendschap te druk was.
‘Het gaat niet om jullie persoonlijk,’ zei Kees zacht.
Dat is zo’n zin waar altijd ellende achteraan komt.
‘Marjan heeft behoefte aan meer tijd met z’n tweeën. Gewoon thuis. Zonder verplichtingen.’
Henk lachte kort. Niet vrolijk. ‘Verplichtingen? Is dat wat wij zijn geworden?’
Marjan zuchtte hoorbaar. ‘Jullie maken het meteen zwaar. We zeggen alleen dat we niet meer elke week willen. Mensen mogen toch veranderen?’
Ik voelde mijn wangen warm worden. ‘Veranderen mag. Maar doen alsof dit iets kleins is? Alsof je even de krant minder vaak laat bezorgen? Dat kan ik niet zomaar.’
Kees keek naar het tafelkleed. Dat deed hij vroeger ook als hij loog tegen Ria over een extra biertje in de kantine.
‘Ik zit klem,’ mompelde hij.
Daar schrok ik bijna nog het meest van. Niet omdat hij het zei, maar omdat het waar was. Je zag het aan alles. Aan zijn schouders. Aan hoe hij niet naast ons ging staan, maar ook niet helemaal naast haar durfde te gaan zitten.
Na dat gesprek was de sfeer in de groep kapot. Appjes werden korter. De vrijdagse foto van wie er restjes had meegenomen bleef uit. Bij de bridgeclub vroeg Anneke al: ‘Wat is er met Kees? Hij doet zo afstandelijk.’ In een dorp, nou ja dorp, iedereen voelt dat soort dingen meteen aan.
Een week later belde ik hem. Gewoon rechtstreeks. Geen gedraai meer.
‘Kees, ben je nou echt van plan dit door te zetten?’
Het bleef even stil.
Toen zei hij: ‘Je begrijpt niet hoe het thuis gaat als ik hiertegenin ga.’
Ik ging rechtop zitten. ‘Wat bedoel je?’
‘Dat er dan ruzie is. Dagenlang. Dat Marjan zegt dat ze zich altijd op de tweede plek voelt. Dat ze niet getrouwd is om in een bestaande club te worden gezogen waar alles al vastligt.’
Daar zat ik dan, met de telefoon in mijn hand en ineens ook met medelijden. Tegen mijn zin in bijna. Want ik hoorde ook iets anders: hij was bang haar kwijt te raken.
Die avond zei Henk: ‘Hij kiest gewoon voor haar. Klaar. En wij mogen doen alsof dat heel redelijk is.’
‘Misschien is hij gewoon moe,’ zei ik.
Henk keek me fel aan. ‘Wij zijn ook moe. Maar wij laten mensen toch niet vallen?’
Dat woord bleef hangen. Vallen.
Twee weken later kwamen ze weer. Op ons verzoek. Laatste poging, zeiden we tegen elkaar, al klonk dat al alsof er iets gestorven was.
Henk draaide er niet omheen. ‘Als jij nog maar één keer per maand komt, dan is het niet meer zoals het was. Dan breek je iets af wat we samen hebben opgebouwd.’
Kees kneep zijn handen in elkaar. ‘Maar waarom moet alles blijven zoals vroeger?’
‘Omdat sommige dingen je overeind houden,’ zei ik. ‘Omdat dit voor ons niet zomaar gezelligheid is. Dit is ons leven geworden, Kees. Onze mensen. Onze week. Zeker nu we ouder worden.’
Marjan stond op, liep naar het aanrecht en keek uit het raam alsof ze liever buiten stond in de regen. ‘Ik vind dit echt verstikkend,’ zei ze. ‘Alsof hij toestemming moet vragen om zijn eigen leven te leven.’
‘Nee,’ zei Henk. ‘Maar vriendschap zonder trouw is gewoon een afspraak die je opzegt zodra het lastig wordt.’
Toen kwam het ultimatum. Ik wou dat ik kon zeggen dat het alleen Henk was, maar ik zei niks om hem tegen te houden. Dus het was ook van mij.
‘Als jij dit terugbrengt naar één keer per maand,’ zei hij, ‘dan moet je niet doen alsof alles hetzelfde blijft. Dan is het niet meer die vriendschap van vroeger.’
Kees keek ons aan met natte ogen. Echt nat. ‘Jullie vragen me te kiezen.’
En Marjan draaide zich om en zei meteen: ‘Nee, dat doen júllie zelf.’
Misschien had ze daar gelijk in. Misschien ook niet. Ik weet het oprecht nog steeds niet.
Sindsdien is het stil. Geen vaste donderdag meer. Soms zie ik Kees in de supermarkt bij de kaasafdeling en dan praten we over niks. Over het weer, over aanbiedingen, over onzin. En in die paar minuten voel ik alles wat niet gezegd wordt.
Ik mis hem. Maar ik ben ook kwaad. Kan allebei tegelijk, blijkbaar.
Zeg eens eerlijk: moet vriendschap meebewegen met een nieuw huwelijk, of verraad je dan iets wat tientallen jaren heeft gedragen?
En waren wij te bezitterig… of heeft Kees ons ingeruild voor rust die straks misschien ook weer niet genoeg blijkt te zijn?