Ik nodigde onze vrienden zonder Henk uit, en mijn man noemde me die avond een verrader
‘Heb jij dit gedaan?’
Willem stond in de keuken met mijn telefoon in zijn hand. Zijn gezicht was rood, niet van de wijn dit keer, maar van woede. Op het scherm zag ik mijn eigen bericht in de groepsapp met Els, Kees, Anita en Joop: Zullen we volgende week bij ons eten, klein clubje, even rustig bijkletsen?
Zonder Henk. Zonder Marijke.
Ik voelde meteen die misselijkheid die je krijgt als je weet: nu gaat iets openbreken wat niet meer dicht kan.
‘Ja,’ zei ik. ‘Ik heb het gedaan.’
Hij keek me aan alsof ik iemand had bestolen.
‘Dus dit zijn we geworden? Mensen die een vriend laten vallen zodra het ongemakkelijk wordt?’
Ik had duizend keer geoefend wat ik zou zeggen, maar op dat moment klonk alles slap. ‘Willem, zo is het niet. Het gaat al maanden mis.’
Wij zijn allebei midden zestig. Al meer dan dertig jaar eten we elke eerste zaterdag van de maand met dezelfde vriendengroep. Altijd uitgebreid. Eerst koffie met iets van appeltaart of slagroomsoezen, dan uren aan tafel. Een pan stoofvlees, vis uit de oven, goede wijn, veel praten. Over boeken, politiek, kleinkinderen, de vakantie naar Texel, dat soort dingen. Het was onze vaste grond. Ik denk dat veel mensen van onze leeftijd dat herkennen. Niet spectaculair, maar dierbaar.
Henk was altijd de luidste van ons allemaal. Grappig ook. Soms irritant aanwezig, maar op een manier die erbij hoorde. Tot vorig jaar.
Eerst waren het kleine dingen. Hij vergat waar hij zijn bril had neergelegd terwijl die op zijn hoofd stond. Hij vertelde hetzelfde verhaal drie keer. We lachten er nog om. Marijke ook, al zag ik toen al iets in haar ogen wat ze probeerde weg te drukken.
Daarna werd het anders.
Tijdens een diner bij Kees en Els noemde Henk Anita ineens ‘Maaike’. Niet één keer, maar de hele avond. Anita verbeterde hem vriendelijk. Toen bits. Uiteindelijk zei ze maar niets meer. Henk werd juist boos.
‘Nou zeg, ik maak toch zeker zelf wel uit hoe ik iemand noem?’
Er viel een stilte waar je je bijna in kon verslikken.
Marijke legde haar hand op zijn arm. ‘Henk, lief, Anita heet gewoon Anita.’
Hij trok zijn arm weg alsof ze hem brandde. ‘Bemoei jij je er niet mee.’
We keken allemaal naar onze borden.
Dat was de avond waarop ik voor het eerst voelde: dit gaat niet vanzelf weer over.
De maanden daarna werd het grilliger. Henk verdacht Joop ervan dat hij steeds expres zijn jas verstopte. Hij vroeg mij drie keer in één avond of mijn moeder nog leefde. Mijn moeder is al twaalf jaar dood. Toen ik het de derde keer zei, schoot hij vol. Echt uit het niets.
‘Je hoeft niet zo kattig te doen, Saskia.’
Ik was niet kattig. Ik was moe. En eerlijk? Ook bang.
Niet voor hem als man, maar voor wat er met de avonden gebeurde. Alles kwam in het teken te staan van opletten. Niet te moeilijke onderwerpen. Geen grapjes die verkeerd konden vallen. Geen herinneringen ophalen waarbij Henk iets door elkaar kon halen. We praatten ineens over het weer, over files, over de prijs van boodschappen. Alsof we figuranten waren geworden in ons eigen leven.
Na afloop bleven de appjes komen, maar anders dan vroeger.
Leuke avond, schreef niemand meer.
Nu even bijkomen, stuurde Anita een keer.
Kees belde me zelfs apart. ‘Saskia, ik schaam me dat ik dit zeg, maar ik zie op tegen die etentjes.’
Ik zei niets, omdat ik precies hetzelfde voelde.
Willem niet. Of misschien wilde hij het niet voelen. Henk was zijn oudste vriend. Ze kenden elkaar nog uit hun diensttijd in Assen. Als jongens, bijna nog. Voor Willem was dit simpel: een vriend laat je niet vallen als hij ziek wordt.
‘Juist nu niet,’ zei hij steeds. ‘Nu heeft hij ons nodig.’
En daar had hij natuurlijk gelijk in. Dat was het erge.
Maar ik zag ook Marijke. Hoe zij steeds minder at. Hoe ze lachte op momenten dat er niets te lachen viel. Hoe ze aan het eind van de avond al half opstond voordat Henk weer iets kon zeggen wat niet meer terug te draaien was. Zij raakte hem al stukje bij beetje kwijt, en wij deden alsof hetzelfde diner, dezelfde tafel, dezelfde mensen daar iets tegen konden uitrichten.
Twee maanden geleden ging het echt mis. Henk sloeg met vlakke hand op tafel omdat Joop volgens hem zat te fluisteren over hem.
‘Denk je dat ik gek ben of zo?’ riep hij.
Het glas van Els viel om. Rode wijn over het tafellaken. Marijke begon meteen te deppen, veel te snel, met trillende vingers.
Joop zei: ‘Niemand zegt dat, Henk, kom nou.’
Maar Henk stond al op. Zijn stoel schraapte hard over de vloer. Ik zie het nog voor me. Zijn gezicht vol paniek, maar verpakt als woede. Dat was misschien nog wel het pijnlijkst.
In de auto terug zei ik tegen Willem: ‘Dit houden we zo niet vol.’
Hij staarde naar de weg. ‘Dan moeten we het leren volhouden.’
Alsof dat een karaktertest was.
Dus ja, ik plande dat etentje. Niet om Henk af te schrijven. Ook niet om Marijke te straffen. Ik wilde één avond waarop niemand op eieren hoefde te lopen. Eén avond waarop de rest niet ook langzaam verdween. Ik dacht echt: als we de vorm aanpassen, kunnen we misschien alles nog een beetje behouden.
Maar toen Willem dat bericht zag, was er geen nuance meer.
‘Je doet precies waar iedereen bang voor is,’ zei hij. ‘Mensen worden lastig, en hup, apart zetten.’
‘Nee,’ zei ik, veel te hard. ‘Ik probeer te voorkomen dat straks niemand meer komt!’
Hij legde mijn telefoon neer alsof het iets vies was.
‘Zeg dat maar eens tegen Henk. Of tegen Marijke. Dat hun verdriet niet meer in ons schema past.’
Die zin kwam binnen. Gemeen, maar raak.
Het ergste is misschien nog dat de anderen uiteindelijk wél kwamen. Ze namen bloemen mee, wijn, een zelfgemaakte tiramisu. We hadden een rustige, bijna ouderwets fijne avond. Er werd gelachen. Echt gelachen. En juist daardoor voelde ik me schuldig tot in mijn botten.
De volgende ochtend belde Marijke. Ze had via via gehoord dat we samen waren geweest.
Ze zei eerst heel lang niets. Alleen adem.
Toen: ‘Ik snap het ergens wel, Saskia. Dat is nog het pijnlijkste.’
Ik kon ook niets meer zeggen. Ik keek naar de kruimels op tafel en dacht alleen maar: wanneer is zorgen voor iemand veranderd in kiezen tussen mensen?
Ik weet nog steeds niet of ik laf ben geweest of juist eerlijk over wat iedereen voelde maar niet durfde uit te spreken.
Laat je één vriend nooit los, ook niet als de rest langzaam afhaakt? Of mag je soms de vorm van trouw veranderen om niet alles kwijt te raken?