Onze beste vrienden noemden mij materialistisch, en ineens stond mijn huwelijk ook op het spel
“Dus jij vindt mij oppervlakkig?” hoorde ik mezelf zeggen, veel harder dan ik van plan was.
Aan de andere kant van de houten tafel in de volkstuin keek Marjan niet eens geschrokken. Ze vouwde langzaam haar servet op, legde het naast haar emaillen mok en haalde haar schouders op.
“Niet oppervlakkig, Anneke,” zei ze. “Maar wel… nog heel erg gehecht aan spullen, gemak, uit eten, weekendjes weg. Wij willen daar niet meer in mee.”
Naast mij schoof Kees onrustig op zijn stoel. Tegenover hem zat Rob, mijn man, met die blik die ik de laatste maanden steeds vaker zag: bewondering. Niet voor mij. Voor hen.
Dat was het moment waarop ik wist dat dit niet alleen over een etentje minder ging.
Wij kennen Marjan en Kees al sinds de middelbare school van onze kinderen. Eerst stonden we samen langs het voetbalveld in de regen. Later gingen we fietsen op de Veluwe, wandelen in Zuid-Limburg, stedentrips naar Gent, een weekje Texel in een huisje met veel te zachte matrassen waar we altijd om moesten lachen. Eerste kerstdag bij ons, tweede kerstdag bij hen. Als iemand ziek was, stond de ander op de stoep met soep of een kratje boodschappen.
Het was nooit ingewikkeld tussen ons. Juist daarom kwam die omslag zo hard aan.
Het begon klein. Marjan zei ineens dat vliegen “niet meer te verantwoorden” was. Prima, dacht ik nog. Dan gaan we met de trein. Daarna wilden ze niet meer uit eten, want “je betaalt voor overdaad”. Toen verkocht Kees hun tweede auto. Vervolgens kwamen de opmerkingen.
“Moet dat nieuwe jasje nou echt?”
“Een cappuccino op een terras is ook vooral gewoon een gewoonte.”
“Je hebt toch al een waterkoker, waarom dan een Nespresso-apparaat?”
Altijd uitgesproken met dat rustige toontje waardoor je je juist des te dommer voelt.
Rob begon erin mee te gaan. Eerst aarzelend. Toen steeds stelliger.
“Ze hebben ergens wel gelijk, Ank.”
Ank. Zo noemde hij me alleen als hij iets wilde gladstrijken.
“We geven best veel uit aan dingen die niet nodig zijn.”
“Niet nodig?” zei ik. “Sinds wanneer moet alles alleen nog maar nodig zijn?”
Hij zuchtte dan alsof ík degene was die moeilijk deed. Terwijl ik echt niet leef als een filmster. We wonen gewoon in Amersfoort, rijtjeshuis, prima pensioen, twee keer per jaar een weekend weg, af en toe lunchen in de stad, goede handcrème van de drogist die nét wat duurder is. Kleine dingen. Dingen waar ik van geniet.
Na mijn zestigste had ik mezelf juist toegestaan om niet overal schuldgevoel over te hebben. Jaren gewerkt in de thuiszorg, altijd rekenen, altijd anderen eerst. En nu zou ik me moeten schamen voor een etentje bij een bistro op zaterdag?
De spanning thuis liep op over de raarste dingen.
Toen ik een nieuw dekbedovertrek kocht, zei Rob: “We hadden er toch nog drie?”
“Ja,” zei ik. “Maar deze vind ik mooi.”
“Dat is precies het punt.”
Ik weet nog dat ik hem aankeek en even niets kon zeggen. Alsof mijn smaak, mijn gezelligheid, mijn manier van leven ineens een karakterfout was geworden.
Later in bed draaide hij zich naar de muur. Ik lag wakker en dacht: verlies ik nu mijn beste vrienden of mijn man, of allebei?
De klap kwam in april. We zouden zoals ieder jaar samen een week naar Zeeland. Geen luxe, gewoon een goed hotelletje in Domburg, fietsen huren, vis eten, beetje uitwaaien. Marjan nodigde ons uit in hun tuin voor koffie. Ik voelde al aan alles dat het mis zat.
Kees nam het woord.
“We hebben besloten dat we zulke vakanties niet meer doen.”
“Oké,” zei ik. “Dan huren we toch een huisje en koken we zelf?”
Marjan keek me aan met iets wat op medelijden leek. Dat deed nog het meeste pijn.
“Het gaat niet alleen om de vorm, Anneke. Het gaat om de mentaliteit.”
Ik zei niks.
Rob ook niet.
Toen kwam het.
“We merken dat we verder zijn gegaan in hoe we willen leven,” zei Kees. “En eerlijk gezegd kost het ons energie om tijd door te brengen met mensen die nog vastzitten in materialisme.”
Mensen.
Niet eens: jullie. Alsof ik een categorie was geworden.
Ik voelde mijn wangen branden. “Na bijna dertig jaar zeg je dit echt zo?”
Marjan sloeg haar ogen neer. “We willen geen oordeel—”
“Nou, dat is dan mislukt.”
Rob legde een hand op mijn arm. Ik trok hem weg.
Tot mijn verbazing zei hij zacht: “Misschien bedoelen ze dat we ook eens eerlijk naar onszelf moeten kijken.”
Dat was de echte steek. Niet hun woorden. Die van hem.
Op de terugweg in de auto hebben we bijna niet gepraat. Alleen bij het stoplicht voor de Stichtse Rotonde zei ik: “Als jij zo graag op hen wilt lijken, zeg het dan gewoon.”
Hij keek strak voor zich uit. “Ik wil niet op hen lijken. Ik wil niet alles blijven vullen met kopen en consumeren omdat we anders stilvallen.”
“Je doet net alsof ik een leeg mens ben.”
“Nee, maar jij doet alsof comfort hetzelfde is als geluk.”
Ik barstte in huilen uit. Niet netjes, niet beheerst. Gewoon lelijk huilen, met een loopneus en schokkende schouders zoals een kind.
De weken daarna waren kil. Rob begon spullen uit te zoeken voor de kringloop. Ik heb mijn servieskast dichtgedaan omdat ik zijn handen er niet in wilde zien. Marjan stuurde één appje: dat ze hoopte dat we “ieder ons eigen pad in zachtheid zouden vinden”. Ik heb niet geantwoord. Kees ook niet.
En toch… het ging mij niet eens om die restaurants of vakanties. Het ging om de minachting. Om het idee dat hun keuze verheven was en de onze minder waard. Waar was de gelijkwaardigheid gebleven waar onze vriendschap altijd op stond?
Vorige week heb ik tegen Rob gezegd: “Als jij soberder wilt leven, prima. Echt. Maar ik ga niet doen alsof een mooi tafelkleed, een weekend aan zee of een goede fles wijn een moreel falen is.”
Hij zei lang niets. Toen knikte hij alleen. Verdrietig, moe. Misschien beseft hij nu ook dat hij vooral bang was hen kwijt te raken.
Ik ben ze sowieso kwijt, denk ik.
Maar als vriendschap alleen bestaat zolang je hetzelfde kiest, was het dan wel echt vriendschap? En ben ik koppig omdat ik mijn kleine genoegens niet wil opgeven, of juist eerlijk omdat ik weiger me te laten beschamen om wie ik ben?