“Vrienden Zeiden Gemene Dingen Over Ons”: Een Onbedoeld Gesprek Verandert Alles

‘Dus, wat vind je ervan, Mike? Zullen jullie zaterdag komen barbecueën bij ons in de tuin? Het wordt mooi weer, en de kinderen kunnen lekker spelen.’ Mijn stem trilde een beetje van enthousiasme, want het was alweer een tijd geleden dat we met z’n allen samen waren geweest. Mike lachte aan de andere kant van de lijn. ‘Ja, klinkt goed, Jeroen! Ik zal het even met Sanne overleggen, maar ik denk dat het wel kan. Gezellig man!’

We praatten nog wat over het weer, voetbal, en de kinderen. Daarna zei ik: ‘Top, ik stuur je straks nog even een appje met het adres, voor de zekerheid.’

‘Is goed, tot zaterdag!’

Ik drukte op het rode telefoontje, of dacht ik. Mijn vinger gleed, en het scherm bleef zwart. Ik hoorde nog wat gerommel, dacht dat het gesprek voorbij was, en legde mijn telefoon op tafel. Maar toen hoorde ik ineens Mike’s stem, gedempt, alsof hij verder weg was. ‘Sanne, weet je wat Jeroen nu weer wil? Weer zo’n barbecue bij hem thuis. Alsof het daar zo gezellig is. Die tuin van hem is altijd een zooitje, en zijn vrouw… pfff, die kan echt niet koken. En die kinderen van ze, die schreeuwen de hele buurt bij elkaar. Maar ja, je kunt moeilijk nee zeggen, hè?’

Mijn hart sloeg over. Ik voelde mijn wangen rood worden, alsof ik betrapt was op iets slechts, terwijl ik alleen maar luisterde. Sanne lachte zachtjes. ‘Ach, het is maar voor een middagje. Daarna kunnen we weer lekker naar huis. Maar ik snap je wel hoor, ik vind het daar ook altijd zo ongemakkelijk. Ze doen altijd zo hun best, maar het voelt gewoon… tja, niet echt gezellig. En die kinderen van hun zijn inderdaad nogal druk.’

Ik wist niet wat ik hoorde. Mijn beste vriend, degene met wie ik al sinds de middelbare school alles deelde, praatte zo over mij en mijn gezin? Ik voelde een brok in mijn keel. Mijn eerste impuls was om de telefoon uit te zetten, maar ik kon mezelf niet dwingen. Ik bleef luisteren, als een dief in mijn eigen leven.

‘Misschien moeten we de volgende keer gewoon zeggen dat we niet kunnen,’ zei Mike. ‘Ik heb geen zin om weer te doen alsof. Maar goed, nu hebben we al ja gezegd. We nemen gewoon wat eigen drank mee, dan hoeven we die lauwe biertjes van hem niet te drinken.’

Sanne giechelde. ‘En ik neem wel wat snacks mee, want anders zitten we weer aan die aangebrande worstjes.’

Het gesprek ging nog even door, over andere vrienden, over werk, maar ik hoorde het allemaal niet meer. Mijn hoofd tolde. Ik voelde me verraden, vernederd, en vooral ontzettend naïef. Hoe vaak hadden ze al zo over ons gepraat? Was het altijd al zo geweest?

Die avond zat ik aan de keukentafel, mijn handen om een kop koffie geklemd. Marieke, mijn vrouw, kwam naast me zitten. ‘Gaat het wel, Jeen?’ vroeg ze zacht. Ze gebruikte altijd die bijnaam als ze zich zorgen maakte. Ik keek haar aan, en voelde de tranen prikken. ‘Ik weet het niet, Mariek. Ik weet het echt niet meer.’

Ze legde haar hand op de mijne. ‘Is er iets gebeurd op je werk?’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee, het is… het is Mike. Ik hoorde hem praten. Over ons. Over jou, over de kinderen. Het was niet aardig, Mariek. Helemaal niet.’

Ze keek me aan, haar ogen groot van schrik. ‘Wat zei hij dan?’

Ik vertelde haar alles. Elk woord, elke lach, elk zuchtje van minachting. Marieke luisterde stil, haar gezicht werd steeds bleker. ‘Dat meen je niet,’ fluisterde ze. ‘En ik dacht altijd dat Sanne zo aardig was…’

We zaten een tijdlang zwijgend tegenover elkaar. Buiten hoorde ik de kinderen lachen, hun stemmen vrolijk en onbezorgd. Ik voelde me ineens schuldig. Was ik te streng voor ze? Waren ze echt zo druk? Was onze tuin inderdaad een zooitje? Was Marieke’s eten niet lekker?

Die nacht lag ik wakker. Ik draaide van mijn ene zij op de andere, de woorden van Mike en Sanne echoënd in mijn hoofd. ‘Niet echt gezellig… altijd zo hun best doen… aangebrande worstjes…’

De volgende ochtend, bij het ontbijt, keek ik naar mijn gezin. Marieke schonk jus d’orange in, de kinderen kibbelden om de laatste croissant. Alles leek normaal, maar voor mij was alles veranderd. Ik voelde me bekeken, beoordeeld, zelfs in mijn eigen huis.

Op mijn werk kon ik me niet concentreren. Ik dacht aan alle keren dat Mike en ik samen voetbalden, biertjes dronken in de kroeg, samen op vakantie gingen naar Texel. Was dat allemaal nep geweest? Of was er iets veranderd, zonder dat ik het doorhad?

Tegen het einde van de dag stuurde Mike een appje: ‘Heb je het adres nog voor zaterdag? Zin in!’

Ik staarde naar het scherm. Mijn vingers zweefden boven het toetsenbord. Wat moest ik zeggen? Moest ik doen alsof er niets aan de hand was? Moest ik hem confronteren? Uiteindelijk stuurde ik alleen: ‘Komt goed, tot zaterdag.’

De dagen tot het weekend sleepten zich voort. Marieke was stiller dan normaal, en ik merkte dat ze extra haar best deed op het huishouden. Ze kocht nieuwe kussens voor de tuinbank, maakte de barbecue grondig schoon, en bakte alvast een cake. De kinderen vroegen of ze hun mooiste kleren aan mochten. Alles moest perfect zijn, alsof we iets moesten bewijzen.

Zaterdagmiddag, vlak voordat Mike en Sanne zouden komen, stond ik in de tuin. Ik keek om me heen: het gras was gemaaid, de tafel gedekt, de barbecue klaar om aan te steken. Toch voelde ik me niet trots, maar gespannen. Elk detail leek ineens belangrijk. Zou Mike zien dat we nieuwe kussens hadden? Zou Sanne de cake lekker vinden?

De bel ging. Marieke schrok op, veegde haar handen af aan haar schort. ‘Daar zijn ze,’ fluisterde ze. Ik knikte, probeerde te glimlachen.

Mike stond op de stoep, een fles wijn in zijn hand. ‘Hee, Jeen! Wat ziet het er gezellig uit, man!’

Ik dwong mezelf te lachen. ‘Dank je, Mike. Kom binnen, Sanne. Wat leuk dat jullie er zijn.’

De middag verliep stroef. Waar we normaal grapten en lachten, was er nu een ongemakkelijke stilte. Ik hoorde mezelf praten over het weer, over werk, over de kinderen, maar alles klonk hol. Mike leek het niet te merken, of deed alsof. Sanne complimenteerde Marieke met de cake, maar ik zag aan haar ogen dat ze het niet meende.

Toen de kinderen begonnen te schreeuwen tijdens een potje voetbal, voelde ik mijn gezicht rood worden. Ik probeerde ze tot rust te manen, maar ze luisterden niet. Mike lachte: ‘Ze hebben er zin in, hè?’

Ik knikte, maar voelde me klein. Marieke keek me aan, haar ogen vochtig. Ik wist dat zij hetzelfde voelde als ik.

Na het eten, toen Mike en Sanne vertrokken, bleef ik nog even in de tuin staan. Marieke kwam naast me staan. ‘En nu?’ vroeg ze zacht.

Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik weet het niet, Mariek. Ik weet het echt niet. Kun je vrienden nog vertrouwen, als je weet wat ze echt denken? Of is het beter om het niet te weten?’

Misschien is het makkelijker om te doen alsof, maar ik vraag me af: wie zijn we eigenlijk, als zelfs onze vrienden ons niet echt kennen of waarderen? Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?