Het testament dat mijn wereld verwoestte: Toen liefde een geheim bleek te zijn
‘Claire, je moet nu echt komen. Ze beginnen zo.’ De stem van mijn schoonzus Marieke klinkt schor en gespannen. Ik kijk haar aan, mijn handen trillen om de rand van mijn kopje koffie. De geur van versgemalen bonen lijkt ineens misselijkmakend. ‘Ik weet niet of ik dit kan, Marieke,’ fluister ik. Mijn stem breekt. ‘Wat als er iets is wat ik niet wil horen?’
Ze zucht, pakt mijn hand stevig vast. ‘We moeten het samen doen. Voor Erik.’
Erik. Mijn man, mijn alles, de vader van onze kinderen. Drie weken geleden stond ik nog naast hem op het strand van Scheveningen, onze voeten in het koude zand, zijn hand warm in de mijne. Nu zit ik hier, in het kille kantoor van notaris Van Dijk, om zijn testament te horen. Mijn hart bonkt in mijn keel.
De kamer vult zich langzaam met familieleden. Zijn broer Jeroen, altijd zo afstandelijk, knikt kort naar me. Mijn dochter Lotte, zestien en boos op de hele wereld sinds haar vader stierf, staart naar haar telefoon. Mijn zoon Bram, twaalf, zit dicht tegen me aan en friemelt aan de mouw van mijn jas.
Notaris Van Dijk schraapt zijn keel. ‘Allereerst wil ik u condoleren met uw verlies.’ Zijn stem klinkt plechtig, bijna mechanisch. Hij begint te lezen. De gebruikelijke dingen: het huis in Haarlem, de spaarrekening, de aandelen in het familiebedrijf. Alles zoals verwacht.
Tot hij een naam noemt die als een donderslag door de kamer klinkt: ‘…en aan mevrouw Saskia van der Meer laat Erik zijn aandelenpakket in Van der Laan & Zonen na, evenals een bedrag van vijftigduizend euro.’
Het is alsof de tijd stilvalt. Mijn adem stokt. ‘Wie?’ hoor ik mezelf zeggen, veel te hard. Iedereen kijkt naar mij.
‘Mevrouw Saskia van der Meer,’ herhaalt Van Dijk, zonder op te kijken.
‘Wie is dat?’ Mijn stem trilt nu openlijk.
Jeroen kijkt weg. Marieke bijt op haar lip. Lotte kijkt eindelijk op van haar telefoon en Bram fluistert: ‘Mama?’
Ik voel hoe de grond onder me wegzakt. Erik had nooit over een Saskia gesproken. Nooit.
Na afloop van de zitting blijf ik zitten terwijl de rest langzaam vertrekt. Marieke blijft bij me. ‘Claire…’
‘Wist jij hiervan?’ vraag ik haar scherp.
Ze schudt haar hoofd, maar haar ogen ontwijken de mijne.
‘Je liegt,’ zeg ik zacht.
Ze slikt. ‘Ik… Ik heb haar wel eens gezien op kantoor. Maar Erik zei altijd dat ze gewoon een collega was.’
‘Gewoon een collega? Waarom krijgt ze dan de helft van zijn aandelen en zoveel geld?’
Marieke haalt haar schouders op, maar ik zie tranen in haar ogen.
Die nacht lig ik wakker in ons lege bed. Ik staar naar het plafond en probeer me elk moment met Erik te herinneren. Was er iets wat ik gemist heb? Was hij ongelukkig? Had hij geheimen?
De dagen daarna ben ik als verdoofd. Ik functioneer op de automatische piloot: kinderen naar school brengen, boodschappen doen bij de Albert Heijn, gesprekken voeren met mensen die niet weten wat ze moeten zeggen. Maar steeds weer die naam in mijn hoofd: Saskia van der Meer.
Op een regenachtige donderdag besluit ik haar op te zoeken. Ik vind haar adres via het kadaster – een appartement in Utrecht. Mijn hart bonkt als ik aanbellen.
Een vrouw van mijn leeftijd doet open. Blond haar, blauwe ogen, een vriendelijke glimlach die bevriest als ze mijn gezicht ziet.
‘Jij bent Claire,’ zegt ze zacht.
Ik knik. ‘Mag ik binnenkomen?’
Ze laat me binnen zonder iets te zeggen. Haar huis is netjes, vol boeken en foto’s van een jongen van een jaar of tien.
‘Waarom?’ vraag ik meteen als we zitten.
Ze zucht diep. ‘Erik en ik… We kenden elkaar al sinds onze studietijd in Leiden. We zijn altijd vrienden gebleven.’
‘Vrienden?’ Mijn stem druipt van sarcasme.
Ze kijkt me recht aan. ‘Meer dan dat soms. Maar hij hield van jou, Claire. Echt waar.’
Ik voel woede opborrelen. ‘Waarom heeft hij je dan zoveel nagelaten? Waarom wist ik niets van jou?’
Saskia slikt zichtbaar. ‘Omdat hij bang was je pijn te doen. Omdat hij niet wist hoe hij moest kiezen.’
‘En die jongen op de foto? Is dat…’
Ze knikt langzaam. ‘Ja. Daan is Eriks zoon.’
Het voelt alsof er een mes door mijn hart gaat.
De weken daarna ben ik verscheurd tussen woede en verdriet. Ik wil Erik haten om zijn leugens, maar ik mis hem zo verschrikkelijk dat het pijn doet om adem te halen.
Lotte is boos als ze het hoort. ‘Dus we hebben een halfbroertje? En papa heeft gewoon alles verzwegen?!’ Ze smijt haar schooltas door de kamer.
Bram huilt stilletjes en kruipt elke nacht bij mij in bed.
Mijn schoonfamilie zwijgt of ontwijkt me sinds het nieuws bekend is geworden. Jeroen stuurt een bericht: “We moeten praten over het bedrijf.” Alsof alles gewoon doorgaat.
Op een dag staat Saskia voor mijn deur met Daan aan haar hand. Ze vraagt of we kunnen praten – met z’n allen.
We zitten met z’n vieren aan tafel: Saskia, Daan, Lotte en Bram. Het is ongemakkelijk stil tot Daan zachtjes zegt: ‘Ik wilde altijd al een grote zus en broer.’
Lotte kijkt hem aan met vochtige ogen en zegt: ‘Misschien kunnen we ooit vrienden worden.’
Langzaam groeit er iets nieuws tussen ons – geen familie zoals vroeger, maar iets anders, iets brozer misschien, maar ook eerlijker.
’s Nachts lig ik wakker en vraag me af: Had ik het willen weten toen Erik nog leefde? Had ik anders gehandeld? Kan liefde bestaan naast zulke grote geheimen?
Misschien is dat wel de grootste vraag die overblijft: Hoeveel kun je vergeven als liefde en waarheid botsen? Wat zou jij doen als je in mijn schoenen stond?