Tussen Twee Huizen: Mijn Leven als Schoondochter in een Onbekend Thuis

‘Waarom staat die pan nog op het aanrecht, Marloes?’ De stem van mevrouw Van Dijk snijdt door de stilte van de keuken. Mijn handen trillen terwijl ik de vaatdoek uitwring. Het is pas acht uur ’s ochtends, maar de spanning in huis is al voelbaar als een mist die niet optrekt.

‘Ik was net bezig met opruimen,’ antwoord ik zacht, hopend dat mijn stem niet verraadt hoe moe ik ben.

Ze zucht. ‘In mijn huis gebeurt alles op tijd. Dat weet je inmiddels toch wel?’

Mijn huis. Haar woorden prikken als naalden. Ik woon hier nu drie jaar, sinds Jeroen en ik getrouwd zijn. Maar het voelt nog steeds alsof ik elke dag op bezoek ben, alsof ik elk moment mijn jas weer moet aantrekken en vertrekken.

Jeroen komt de keuken binnen, zijn blik vluchtig. ‘Goedemorgen,’ mompelt hij, zonder me aan te kijken. Hij pakt snel een boterham en verdwijnt weer naar boven. Vroeger bleef hij altijd even hangen, gaf me een kus, vroeg hoe ik had geslapen. Nu lijkt hij haast te hebben om te ontsnappen aan de sfeer die als een koude deken over ons heen ligt.

Ik herinner me nog goed hoe het begon. We waren jong, verliefd, dachten dat we samen alles aankonden. Maar toen Jeroens vader overleed, wilde zijn moeder niet alleen blijven in het grote huis in Amersfoort. Jeroen stelde voor om tijdelijk bij haar in te trekken, tot we iets voor onszelf zouden vinden. ‘Het is maar voor even,’ zei hij toen. ‘Ze heeft ons nodig.’

Maar weken werden maanden, maanden werden jaren. En elke dag voelde ik me minder welkom.

‘Marloes, kun je straks ook even stofzuigen? De visite komt vanmiddag,’ klinkt het vanuit de woonkamer.

‘Natuurlijk,’ antwoord ik automatisch. Mijn eigen moeder zou zeggen dat ik voor mezelf moet opkomen, maar hier durf ik dat niet. Hier ben ik altijd de tweede vrouw in huis.

’s Avonds zit ik op bed naast Jeroen. ‘Kunnen we niet eens serieus gaan kijken naar een eigen plek?’ probeer ik voorzichtig.

Hij zucht diep. ‘Je weet hoe moeilijk het is om iets betaalbaars te vinden. En mam kan niet alleen zijn.’

‘Maar ík kan dit niet meer,’ fluister ik. ‘Ik voel me hier niet thuis.’

Hij kijkt me eindelijk aan, maar zijn blik is moe. ‘Het is gewoon even doorbijten, Marloes. Voor haar.’

Voor haar. Altijd voor haar.

De dagen rijgen zich aaneen als kralen aan een ketting die steeds strakker om mijn keel trekt. Ik werk parttime bij de bibliotheek, waar ik me soms verstopt houd tussen de boeken om even niet te hoeven denken aan thuis. Daar ben ik Marloes, collega en vriendin – niet de onzichtbare schoondochter.

Op een regenachtige woensdagmiddag komt mijn moeder langs. Ze kijkt me onderzoekend aan terwijl ze haar jas ophangt.

‘Je ziet er moe uit, lieverd.’

Ik lach schamper. ‘Het is gewoon druk.’

Ze pakt mijn hand vast. ‘Je hoeft niet alles alleen te dragen.’

Maar dat doe ik wel. Want Jeroen lijkt steeds verder weg te drijven, opgeslokt door zijn loyaliteit aan zijn moeder en zijn onvermogen om mij te zien.

Op een avond hoor ik mevrouw Van Dijk in de gang praten met haar zus aan de telefoon.

‘Ze doet haar best hoor, maar het is toch niet zoals vroeger met Jeroen en mij alleen… Het blijft wennen.’

Mijn hart krimpt samen. Ik wil schreeuwen dat ik ook iemand ben, dat ik ook liefde en warmte verdien. Maar mijn stem blijft steken in mijn keel.

De weken verstrijken en de spanning groeit. Op een zondagmiddag barst de bom tijdens het eten.

‘De aardappels zijn te zout,’ zegt mevrouw Van Dijk met haar gebruikelijke kille toon.

Ik leg mijn vork neer. ‘Misschien kunt u zelf koken als u het beter weet.’

Jeroen kijkt geschrokken op. ‘Marloes…’

Maar ik kan niet meer stoppen. ‘Ik doe elke dag mijn best om het u naar de zin te maken, maar het lijkt nooit genoeg! Ik voel me hier niet welkom, nooit!’

Er valt een ijzige stilte. Mevrouw Van Dijk kijkt me aan alsof ze me voor het eerst echt ziet.

‘Dit is mijn huis,’ zegt ze langzaam. ‘En zolang je hier woont, verwacht ik dat je je aanpast.’

Ik sta op en loop naar boven, tranen branden achter mijn ogen. In onze slaapkamer pak ik een tas en begin spullen erin te gooien.

Jeroen komt achter me aan. ‘Wat doe je?’

‘Ik ga naar mijn moeder,’ snik ik. ‘Ik kan dit niet meer.’

Hij pakt mijn arm vast. ‘Marloes, wacht nou…’

‘Nee, Jeroen! Jij hebt nooit voor mij gekozen! Altijd voor haar!’

Hij laat mijn arm los en kijkt weg.

Die nacht slaap ik in mijn oude kamer bij mijn moeder thuis. Het voelt vreemd vertrouwd – alsof ik weer even mezelf mag zijn.

De dagen daarna belt Jeroen vaak, maar ik neem niet op. Ik heb tijd nodig om na te denken: over wie ik ben geworden in dat huis, over wat er nog over is van onze liefde.

Na een week staat hij ineens voor de deur.

‘Mag ik binnenkomen?’ vraagt hij zacht.

We zitten zwijgend tegenover elkaar aan de keukentafel.

‘Het spijt me,’ zegt hij uiteindelijk. ‘Ik heb je laten vallen.’

Ik knik alleen maar; woorden schieten tekort.

‘Wil je nog met mij verder?’ vraagt hij dan, zijn stem breekbaar.

Ik weet het niet meer. Ik weet alleen dat ik mezelf kwijt ben geraakt in het proberen iemand anders gelukkig te maken.

Soms vraag ik me af: hoeveel kun je opofferen voordat je jezelf verliest? Is liefde genoeg als je er je eigenwaarde voor moet inleveren? Wat zouden jullie doen als je moest kiezen tussen liefde en jezelf?