“Moet ik kiezen voor de liefde of mijn vrijheid? Mijn dilemma met Karel en zijn moeder”

‘Waarom twijfel je nou alweer, Marleen?’ De stem van Karel klinkt zacht, maar ik hoor de irritatie erdoorheen. We zitten aan de keukentafel in zijn rijtjeshuis in Amersfoort. Buiten tikt de regen tegen het raam, binnen hangt er een spanning die je bijna kunt snijden. Mijn vingers friemelen aan het oor van mijn mok.

‘Omdat het niet zo simpel is, Karel,’ zeg ik, mijn stem breekt bijna. ‘Ik ben vijftig, jij bent vijftig. We hebben allebei ons leven gehad. En nu wil jij dat ik bij jou en je moeder kom wonen alsof ik weer twintig ben.’

Hij zucht diep en kijkt weg. ‘Ze heeft niemand anders meer, Marleen. Sinds papa dood is…’

‘Ik weet het,’ onderbreek ik hem. ‘Maar ik heb ook niemand meer. Tien jaar geleden ben ik alles kwijtgeraakt. Mijn huis, mijn vertrouwen, mijn toekomstbeeld. En nu vraag jij me om opnieuw alles op te geven.’

Het is alsof de muren dichterbij komen. Ik hoor het getik van de klok, het zachte gesnurk van de hond onder tafel. Karel kijkt me aan met die blauwe ogen die me ooit zo geruststelden, maar nu alleen maar vragen lijken te stellen waar ik geen antwoord op heb.

Tien jaar geleden liep ik weg bij Arjan, mijn ex-man. Ik betrapte hem met zijn collega in ons bed. De pijn was ondraaglijk, maar de schaamte nog erger. Iedereen in ons dorp wist het binnen een dag. Mijn ouders zeiden dat ik moest vechten voor mijn huwelijk, maar ik kon niet meer. Ik pakte mijn koffers en vertrok naar een flatje in Amersfoort, ver weg van alles wat vertrouwd was.

De eerste jaren waren zwaar. Ik werkte als receptioniste bij een tandartspraktijk, probeerde mijn hoofd boven water te houden en mijn dochter Sophie door haar puberteit te loodsen. Sophie koos uiteindelijk voor haar vader; hij had meer geld, een groter huis, en een nieuwe vriendin die haar meenam naar Ibiza. Ik bleef achter met lege kamers en lege handen.

Toen ontmoette ik Karel bij de Albert Heijn. Hij stond te stuntelen bij het broodschap en vroeg me welke volkoren het lekkerst was. We raakten aan de praat en hij nodigde me uit voor koffie. Het was geen liefde op het eerste gezicht, maar wel een soort rust die ik lang niet had gevoeld.

Karel was anders dan Arjan. Hij luisterde naar me, lachte om mijn grappen, en bracht bloemen mee zonder reden. Maar er was altijd één constante: zijn moeder, Truus.

Truus is een vrouw van weinig woorden en veel meningen. Ze woont sinds het overlijden van Karels vader bij hem in huis. In het begin vond ik haar bemoeizuchtig wel charmant; ze bakte appeltaart als ik kwam eten en vroeg honderduit over mijn werk. Maar naarmate onze relatie serieuzer werd, voelde ik haar aanwezigheid als een schaduw over alles wat we deden.

‘Je moet niet zo moeilijk doen,’ zei Truus laatst nog toen ik voorzichtig opperde dat ik misschien liever samen met Karel een huis zou zoeken. ‘Dit huis is groot genoeg voor drie mensen. En wie zorgt er straks voor mij als ik ouder word?’

Die vraag bleef hangen als een mist in mijn hoofd. Mijn eigen moeder woont in een verzorgingstehuis in Zwolle; we zien elkaar nauwelijks meer sinds de scheiding. Ik weet hoe het voelt om alleen oud te worden. Maar betekent dat dat ik mijn eigen leven moet opofferen?

Sophie belt me die avond. ‘Mam, waarom klink je zo down?’

Ik vertel haar over Karels voorstel en Truus’ verwachtingen.

‘Mam,’ zegt ze na een stilte, ‘je hebt altijd gezegd dat je nooit meer jezelf zou wegcijferen voor een man.’

‘Maar misschien is dit anders,’ fluister ik.

‘Of misschien probeer je jezelf dat wijs te maken,’ zegt ze zacht.

De dagen erna voel ik me verscheurd. Karel doet zijn best; hij kookt mijn lievelingseten, neemt me mee naar de bioscoop, kust me langer dan normaal. Maar als we thuiskomen, zit Truus op haar vaste plek in de woonkamer, breiend aan een sjaal die nooit af lijkt te komen.

Op een avond hoor ik haar praten met Karel als ze denken dat ik slaap.

‘Ze past niet bij ons, jongen,’ zegt Truus. ‘Ze is te zelfstandig.’

‘Ik hou van haar, mam,’ antwoordt Karel zacht.

‘Liefde is niet genoeg als je niet kunt delen,’ zegt Truus.

Ik draai me om in bed en voel de tranen over mijn wangen rollen.

De volgende ochtend besluit ik met Karel te praten.

‘Karel,’ begin ik terwijl ik mijn jas aantrek om naar mijn werk te gaan, ‘ik weet niet of dit gaat werken.’

Hij kijkt me aan alsof hij door de grond zakt.

‘Waarom niet? We houden toch van elkaar?’

‘Omdat ik bang ben dat ik mezelf verlies als ik hier blijf,’ zeg ik eerlijk. ‘Ik ben niet gemaakt om in iemand anders’ huis te leven, onder iemand anders’ regels.’

Hij pakt mijn hand vast. ‘We kunnen samen iets zoeken…’

‘Maar wat gebeurt er dan met je moeder?’ vraag ik zacht.

Hij zwijgt.

De weken daarna leven we langs elkaar heen. Ik slaap vaker in mijn eigen flatje; Karel stuurt appjes die ik steeds later beantwoord. Truus belt me zelfs op om te vragen of ik ‘het niet wat kinderachtig aanpak’.

Op een zondagmiddag zit ik alleen op een bankje in het park en kijk naar spelende kinderen en honden die achter ballen aanrennen. Mijn telefoon trilt: een berichtje van Sophie.

‘Mam, je verdient het om gelukkig te zijn – ook als dat betekent dat je alleen bent.’

Ik sluit mijn ogen en voel de wind langs mijn gezicht strijken.

Die avond bel ik Karel op.

‘Ik kan dit niet,’ zeg ik zacht.

Er valt een lange stilte aan de andere kant van de lijn.

‘Ik snap het,’ zegt hij uiteindelijk.

We hangen op zonder afscheid.

Nu zit ik hier in mijn kleine flatje met uitzicht op de parkeerplaats en vraag me af: Heb ik de juiste keuze gemaakt? Is liefde ooit genoeg als je jezelf ervoor moet verliezen? Wat zouden jullie doen als je moest kiezen tussen liefde en vrijheid?