“Zie je niet dat we verdrinken in de schulden?” – De pijnlijke waarheid van een moeder die haar gezin niet kan redden
“Zie je niet dat we verdrinken in de schulden, mam?” De stem van Sophie trilde, haar ogen fonkelden van woede en wanhoop. Ik stond in de keuken, mijn handen nog nat van het afwassen, en voelde hoe haar woorden als messen in mijn borst staken. Buiten tikte de regen tegen het raam, maar binnen was het ijskoud.
“Hoe kun je dat zeggen?” fluisterde ik, mijn stem nauwelijks hoorbaar. “Ik doe toch alles voor jullie?”
Sophie sloeg haar armen over elkaar. “Alles? Je blijft maar geld uitgeven aan dingen die we niet nodig hebben! Die nieuwe jas voor jezelf, terwijl ik mijn collegegeld niet eens kan betalen!”
Ik voelde het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. Die jas… Ik had hem gekocht omdat mijn oude jas na drie winters vol gaten zat. Maar nu leek het alsof ik een misdaad had begaan. Mijn man, Jan, zat zwijgend aan tafel, zijn blik op zijn handen gericht. Hij zei nooit iets als Sophie zo tekeer ging. Altijd was ik het die moest uitleggen, verdedigen, sussen.
Die avond lag ik wakker in bed. Jan snurkte zachtjes naast me, maar ik kon de woorden van Sophie niet uit mijn hoofd krijgen. Was ik echt zo’n slechte moeder? Had ik gefaald? Ik dacht aan vroeger, aan de tijd dat Sophie nog klein was en haar handje in de mijne paste als we samen naar de markt liepen in Amersfoort. Toen was alles eenvoudiger. We hadden weinig, maar we hadden elkaar.
De volgende ochtend zat ik aan de keukentafel met een kop lauwe koffie toen Jan binnenkwam. “Je moet het je niet zo aantrekken,” mompelde hij zonder me aan te kijken.
“Ze heeft gelijk,” zei ik zacht. “We hebben schulden, Jan. En ik weet niet meer hoe we eruit moeten komen.”
Hij haalde zijn schouders op. “Het komt wel goed.”
Maar het kwam niet goed. De rekeningen stapelden zich op. De huur was verhoogd, de energierekening verdubbeld sinds de winter zo streng was geweest. Mijn baan als caissière bij de Jumbo leverde nauwelijks genoeg op om rond te komen. Jan werkte al jaren niet meer sinds zijn rug kapot was gegaan op de bouw. Sophie studeerde psychologie aan de Universiteit Utrecht, maar haar bijbaan in een café was wegbezuinigd door corona.
Op een avond kwam Sophie laat thuis. Haar ogen waren rood van het huilen.
“Wat is er gebeurd?” vroeg ik bezorgd.
Ze gooide haar tas op de grond en barstte in tranen uit. “Ik kan mijn collegegeld niet betalen, mam! Ze dreigen me uit te schrijven!”
Ik sloeg mijn armen om haar heen, maar ze duwde me weg. “Jij snapt het niet! Jij hebt altijd alles opgegeven voor ons, maar nu… nu is er niks meer om op te geven!”
Die nacht zat ik urenlang naar het plafond te staren. Mijn gedachten maalden: had ik het anders moeten doen? Had ik harder moeten werken? Minder moeten geven? Maar hoe kon ik nee zeggen tegen mijn dochter als ze iets nodig had?
De dagen werden weken. Sophie praatte nauwelijks nog met me. Jan trok zich steeds verder terug in zichzelf. Ik voelde me gevangen in mijn eigen huis, opgesloten tussen schuldgevoel en wanhoop.
Op een dag kreeg ik een brief van de deurwaarder. We hadden drie maanden huurachterstand. Mijn handen trilden toen ik de brief aan Jan liet zien.
“We moeten hulp zoeken,” zei ik met trillende stem.
Jan keek me aan met lege ogen. “Wie gaat ons helpen? De gemeente? Die lachen je vierkant uit.”
Toch belde ik de schuldhulpverlening van Amersfoort. Een week later zat ik tegenover mevrouw Van Dijk, een kordate vrouw met kort grijs haar.
“U bent niet de enige,” zei ze vriendelijk. “Meer mensen dan u denkt zitten in deze situatie.”
Ik voelde me voor het eerst in maanden iets minder alleen.
Maar thuis veranderde er weinig. Sophie bleef boos, Jan bleef zwijgen. Op een avond hoorde ik hen fluisteren in de gang.
“We kunnen niet blijven wachten tot mam alles oplost,” zei Sophie.
“Wat wil je dan?” vroeg Jan.
“Ik weet het niet… misschien moet ik stoppen met studeren.”
Mijn hart brak opnieuw. Alles wat ik had gedaan was voor haar toekomst geweest, en nu dreigde die toekomst in rook op te gaan door geldzorgen waar zij nooit om had gevraagd.
Op een dag stond Sophie opeens met haar koffers in de gang.
“Ik ga bij Lisa wonen,” zei ze zonder me aan te kijken.
“Maar… waarom?” stamelde ik.
“Ik kan hier niet meer zijn, mam. Het is te benauwend.”
Ze liep de deur uit zonder om te kijken. Ik bleef achter met een leeg gevoel dat dieper was dan alle schulden bij elkaar.
De weken daarna voelde het huis nog leger dan voorheen. Jan at nauwelijks nog en sprak alleen als het echt moest. Ik werkte extra uren bij de Jumbo, maar het leek nooit genoeg.
Op een dag kwam Sophie onverwacht langs. Ze zag er moe uit, ouder dan haar twintig jaar.
“Mam… het spijt me,” fluisterde ze terwijl ze haar jas uittrok.
Ik barstte in tranen uit en zij ook. We hielden elkaar vast alsof we elkaar nooit meer los wilden laten.
“Ik ben bang,” zei ze zachtjes. “Bang dat we nooit meer normaal kunnen doen.”
“We komen hier samen doorheen,” beloofde ik, al wist ik niet hoe.
Langzaam vonden we elkaar weer terug. We maakten samen een plan: Sophie zou tijdelijk stoppen met studeren om te werken en sparen; Jan zou hulp zoeken voor zijn depressie; ik zou blijven vechten voor ons gezin.
Het is nog steeds zwaar. De schulden zijn er nog steeds, de zorgen ook. Maar soms zitten we samen aan tafel en lachen we om iets kleins – een grapje van Jan, een herinnering aan vroeger – en dan voel ik weer even wat familie betekent.
Toch blijft die ene vraag knagen: hoeveel kun je als moeder geven voordat je jezelf verliest? En wanneer is liefde niet meer genoeg?