Mijn man koos voor zijn moeder – Leven in de schaduw van mijn schoonmoeder
‘Dus… je gaat niet mee?’ Mijn stem trilt, terwijl ik naar Mark kijk. Zijn blik dwaalt af naar het raam, waarachter de regen zachtjes tegen het glas tikt. ‘Het spijt me, Iris. Ik kan het gewoon niet. Niet nu. Mam heeft me nodig.’
De dozen staan al in de gang, gelabeld met dikke zwarte stift: ‘Keuken’, ‘Slaapkamer’, ‘Boeken’. Mijn hele leven, zorgvuldig ingepakt voor een nieuw begin in Utrecht. Maar Mark staat daar, zijn handen diep in zijn zakken, alsof hij zich wil verstoppen voor de waarheid die tussen ons in hangt.
‘Je moeder heeft je altijd nodig,’ fluister ik. Het klinkt bitterder dan ik bedoel, maar ik kan het niet helpen. Sinds onze verloving drie jaar geleden is zijn moeder, Marijke, een constante schaduw over ons leven. Ze belt Mark elke dag, soms zelfs midden in de nacht. Als we samen zijn, stuurt ze appjes: “Heb je eraan gedacht om de vuilnis buiten te zetten?” of “Vergeet je niet dat je vader morgen jarig is?”
Mark zucht diep. ‘Ze is alleen sinds papa er niet meer is. Jij weet hoe moeilijk ze het heeft.’
‘En ik dan?’ Mijn stem breekt. ‘Heb jij enig idee hoe het voelt om altijd op de tweede plaats te komen?’
Hij zegt niets. In plaats daarvan draait hij zich om en loopt naar de keuken. Ik hoor het gerammel van kopjes, het openen van een kastje. Alsof hij zich kan verstoppen voor deze beslissing, alsof koffie zetten alles minder pijnlijk maakt.
Die nacht slaap ik nauwelijks. Ik lig te woelen op de bank – ons bed voelt te groot, te leeg zonder hem. In mijn hoofd herhaal ik elk gesprek met Marijke: haar subtiele steken onder water (“Iris, weet je zeker dat je Mark gelukkig maakt?”), haar bemoeienis met alles (“Zal ik anders even meekijken naar het behang?”), haar onuitgesproken oordeel.
De volgende ochtend is Mark al weg als ik wakker word. Op tafel ligt een briefje: “Sorry. Ik moet even nadenken.”
Mijn moeder belt. ‘Hoe gaat het, lieverd?’ Haar stem klinkt bezorgd.
‘Hij blijft bij zijn moeder,’ zeg ik zacht.
Even is het stil aan de andere kant van de lijn. ‘Kom naar huis,’ zegt ze dan. ‘Je hoeft dit niet alleen te doen.’
Maar ik wil niet terug naar mijn oude kinderkamer in Amersfoort. Ik wil niet toegeven dat mijn huwelijk misschien voorbij is voordat het goed en wel begonnen is.
De dagen erna zijn een waas van telefoontjes en appjes die onbeantwoord blijven. Mark reageert nauwelijks; als hij iets stuurt, zijn het korte zinnen: “Druk.” “Mam heeft migraine.” “Ik weet het nog niet.”
Op een avond besluit ik naar Marijke te gaan. Haar huis ruikt naar lavendel en oude boeken. Ze opent de deur met haar gebruikelijke glimlach – die glimlach die nooit echt haar ogen bereikt.
‘Iris! Wat fijn dat je er bent.’
‘Waar is Mark?’ vraag ik zonder omwegen.
Ze knikt richting de woonkamer. ‘Hij is moe. Het is allemaal een beetje veel voor hem.’
Ik loop naar binnen en zie Mark op de bank zitten, zijn hoofd in zijn handen.
‘Mark, kunnen we praten?’
Hij kijkt op, zijn ogen rood van het huilen.
‘Ik weet niet wat ik moet doen,’ zegt hij zacht.
‘Wil je bij mij zijn? Of bij haar?’ Mijn stem trilt opnieuw.
Marijke komt binnen met thee. ‘Iris, lieverd, je moet begrijpen dat Mark altijd een zorgzaam kind is geweest. Hij voelt zich verantwoordelijk voor mij sinds zijn vader…’
‘Dat begrijp ik,’ onderbreek ik haar. ‘Maar wanneer mag hij verantwoordelijk zijn voor zichzelf? Voor ons?’
Mark kijkt van mij naar zijn moeder en weer terug. De stilte is ondraaglijk.
Die nacht slaap ik weer alleen, deze keer in mijn nieuwe appartement in Utrecht – zonder Mark, zonder zekerheid. De muren zijn kaal, de dozen nog dicht. Ik staar naar het plafond en vraag me af of liefde genoeg is als je altijd moet vechten tegen iemand anders’ verwachtingen.
Weken gaan voorbij. Mark komt soms langs, maar altijd kort, altijd gehaast. Hij ruikt naar Marijke’s wasmiddel en praat over haar gezondheid, haar angsten, haar eenzaamheid.
Op een dag staat hij ineens voor mijn deur met een koffer.
‘Ik kan dit niet meer,’ zegt hij zonder preambule.
Mijn hart slaat over. ‘Wat bedoel je?’
‘Ik kan niet kiezen tussen jullie tweeën. Het voelt alsof ik altijd iemand pijn doe.’
‘Misschien moet je leren dat je niet iedereen gelukkig kunt maken,’ zeg ik zacht.
Hij knikt langzaam en laat zich op de bank zakken.
‘Weet je nog die zomer in Zeeland?’ vraagt hij ineens. ‘Toen we samen op het strand zaten en jij zei dat je nooit meer weg wilde?’
Ik glimlach flauwtjes. ‘Dat was voordat alles zo ingewikkeld werd.’
‘Misschien… misschien moeten we opnieuw beginnen. Zonder verwachtingen van anderen.’
Maar zelfs terwijl hij het zegt, zie ik de twijfel in zijn ogen.
Die avond belt Marijke weer. Ik hoor haar stem door de telefoon: “Mark, kun je morgen even langskomen? Ik voel me zo alleen.”
Hij kijkt me aan, verscheurd tussen twee werelden die nooit samen lijken te kunnen bestaan.
‘Ga maar,’ zeg ik uiteindelijk. ‘Je moet doen wat goed voelt.’
Hij vertrekt zonder iets te zeggen.
De weken daarna worden maanden. Ik leer mezelf opnieuw kennen – zonder Mark, zonder Marijke’s schaduw over mijn leven. Ik maak nieuwe vrienden in Utrecht, ga op zaterdagen naar de markt op Vredenburgplein, ontdek dat stilte soms minder pijnlijk is dan constante twijfel.
Soms belt Mark nog. Soms niet. Soms denk ik dat we elkaar ooit weer zullen vinden – als hij eindelijk loskomt van haar verwachtingen en leert kiezen voor zichzelf.
Maar misschien is dat slechts hoop die langzaam vervaagt.
En nu zit ik hier, met een kop thee in mijn handen en kijk uit over de stad die langzaam donker wordt.
Was liefde ooit genoeg? Of verliezen we onszelf als we altijd proberen te voldoen aan andermans verwachtingen?
Wat zouden jullie doen als je moest kiezen tussen jezelf en iemand die je liefhebt?