Waarom ik toch op mijn kleinzoon paste: een dag vol tranen, liefde en onverwachte inzichten

‘Mam, alsjeblieft, ik weet niet meer wat ik moet doen. Kun je vandaag op Daan passen? De opvang wil hem niet vanwege zijn koorts, en ik moet écht werken…’

De wanhoop in de stem van mijn dochter, Marieke, sneed dwars door mijn ochtendroutine heen. Mijn koffie stond nog te dampen op het aanrecht, de krant lag open bij het nieuws over de stijgende zorgkosten. Ik voelde mijn hart bonzen. ‘Maar Marieke, ik heb vandaag…’

‘Mam, alsjeblieft. Ik weet dat je het druk hebt, maar ik heb niemand anders.’

Ik slikte. Mijn agenda was inderdaad vol: boodschappen doen, naar de apotheek voor mijn eigen medicijnen, en vanmiddag zou ik met mijn oudste kleindochter, Sophie, haar kamer in Utrecht gaan bekijken. Maar Sophie had net afgezegd vanwege een afspraak bij de huisarts. Alles viel in duigen. En nu stond ik hier, 62 jaar oud, met een schuldgevoel dat zwaarder woog dan mijn eigen zorgen.

‘Breng hem maar,’ zei ik zacht. ‘Ik regel het wel.’

Een uur later stond Marieke met Daan op de stoep. Zijn wangen waren vuurrood, zijn ogen glazig. Hij klampte zich huilend aan haar vast. ‘Het spijt me zo, mam,’ fluisterde Marieke terwijl ze haar jas dichtknoopte. ‘Hij is echt ziek. Maar ik moet die presentatie geven, anders raak ik mijn baan kwijt.’

Ik knikte en probeerde haar gerust te stellen. ‘Ga maar. We redden ons wel.’

Toen de deur dichtviel, voelde het huis plotseling veel te groot en leeg – behalve dan het snikken van Daan dat door de gang galmde. Ik tilde hem op, zijn warme lijfje tegen me aan gedrukt. ‘Kom maar, jongen,’ fluisterde ik. ‘Oma is hier.’

De ochtend sleepte zich voort. Daan wilde niets eten, alleen maar op schoot zitten en zachtjes jammeren. Ik probeerde hem af te leiden met zijn favoriete boekje over boerderijdieren, maar hij duwde het weg. Mijn telefoon trilde onafgebroken: Marieke die vroeg hoe het ging, Sophie die appte dat ze zenuwachtig was voor haar afspraak.

Tussen het troosten door probeerde ik een boterham te smeren voor mezelf, maar Daan begon meteen te huilen zodra ik opstond. Mijn rug deed pijn van het dragen en wiegen. Ik voelde irritatie opborrelen – waarom moest ík altijd inspringen? Waarom kon Marieke haar leven niet beter organiseren? Waarom voelde ik me altijd verantwoordelijk voor iedereen?

‘Oma is ook maar een mens,’ mompelde ik tegen mezelf terwijl ik Daan wiegde.

Rond het middaguur viel hij eindelijk in slaap op de bank. Zijn ademhaling werd rustig, zijn gezichtje ontspande zich. Ik keek naar hem en voelde iets in mezelf breken – een mengeling van medelijden en liefde. Hoe vaak had ik zelf niet gewild dat iemand mij gewoon vasthield als alles teveel werd?

Mijn gedachten dwaalden af naar vroeger. Toen Marieke klein was en ik als alleenstaande moeder alles alleen moest doen. De slapeloze nachten, de zorgen om geld, de angst dat ik tekortschiet als moeder. En nu herhaalde de geschiedenis zich – alleen ben ik nu de oma die inspringt.

Mijn telefoon ging weer af. Dit keer was het Sophie.

‘Oma? Mag ik straks even langskomen? Ik heb slecht nieuws van de huisarts.’

Mijn hart sloeg over. ‘Natuurlijk lieverd, kom maar gewoon.’

De middag kroop voorbij. Daan werd wakker met verhoging en begon te huilen om zijn moeder. Ik probeerde hem gerust te stellen met een filmpje van Nijntje, maar hij wilde alleen maar bij mij zitten. Mijn geduld raakte op.

‘Daan, oma moet ook even naar het toilet hoor!’ riep ik wanhopig uit.

Hij begon nog harder te huilen.

Op dat moment ging de bel. Sophie stond voor de deur, haar ogen rood van het huilen.

‘Oma…’ Ze stortte zich in mijn armen terwijl Daan tussen ons in werd geplet.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik bezorgd.

‘De huisarts denkt dat ik misschien een chronische ziekte heb… Ik moet naar het ziekenhuis voor verder onderzoek.’

Ik voelde me duizelen. Mijn kleindochter ziek? Mijn dochter overspannen? Mijn kleinzoon ziek op de bank? Het werd me teveel.

‘Kom zitten,’ zei ik schor.

We zaten daar met z’n drieën op de bank: Daan snikkend tegen mijn borst, Sophie met tranen over haar wangen, en ik die probeerde niet zelf in huilen uit te barsten.

‘Waarom moet alles altijd tegelijk komen?’ vroeg Sophie zachtjes.

Ik wist het niet. Maar terwijl ik haar hand vasthield en Daan zachtjes wiegde, voelde ik een golf van liefde door me heen stromen. Dit is familie, dacht ik. Dit is waar het om draait – er zijn voor elkaar als alles tegenzit.

Tegen de avond kwam Marieke Daan ophalen. Ze zag er uitgeput uit.

‘Hoe was het?’ vroeg ze schuchter.

Ik wilde zeggen dat het zwaar was geweest, dat ik moe was en me zorgen maakte om Sophie. Maar toen keek ik naar haar gezicht – dezelfde vermoeide trekken als vroeger bij mezelf – en zei alleen: ‘We hebben het gered.’

Marieke barstte in tranen uit en omhelsde me stevig.

Die nacht lag ik wakker in bed. De zorgen om Sophie knaagden aan me, net als de pijn in mijn rug en het schuldgevoel tegenover Marieke. Maar ergens voelde ik ook trots – dat we ondanks alles overeind waren gebleven.

Misschien is dat wat familie betekent: niet perfect zijn, maar elkaar vasthouden als het leven stormt.

En nu vraag ik me af: hoeveel kracht zit er eigenlijk in liefde? En wie zorgt er voor de sterke schouders als die zelf dreigen te breken?