Hoe ik alles verloor en onverwacht werd gered door vreemden: mijn verhaal over hoop, verlies en onverwachte vriendschap
‘Papa! Ze slaan op de deur!’
De stem van mijn dochtertje, Lotte, sneed als een mes door de stilte van de nacht. Ik schrok wakker, mijn hart bonkte in mijn keel. Nog geen seconde later hoorde ik het zware gebonk op de voordeur. ‘Openmaken! Deurwaarder!’ klonk het hard door het trappenhuis. Mijn vrouw, Marieke, zat rechtop in bed, haar ogen groot van angst.
‘Wat moeten we doen, Bas?’ fluisterde ze, haar stem trillend. Ik wist het niet. Ik wist het écht niet meer. Alles waar ik ooit voor gewerkt had, leek in één klap weg te vallen. De schulden waren me boven het hoofd gegroeid sinds ik mijn baan bij het bouwbedrijf was kwijtgeraakt. Eerst dacht ik nog dat het tijdelijk was, dat ik snel weer werk zou vinden. Maar de maanden sleepten zich voort, de rekeningen stapelden zich op en de brieven van de bank werden steeds dreigender.
‘Papa, ik ben bang,’ snikte Lotte terwijl ze zich aan mijn pyjamabroek vastklampte. Mijn zoon Daan stond ernaast, zijn gezicht bleek in het schijnsel van het nachtlampje. Ik wilde sterk zijn voor hen, maar voelde me kleiner dan ooit.
‘Ik ga wel praten,’ zei ik tegen Marieke, terwijl ik haar hand losliet en naar de voordeur liep. Mijn benen voelden als lood. Toen ik de deur opendeed, stonden er twee mannen in uniform en een vrouw met een clipboard. ‘Meneer Van Dijk? U weet waarom we hier zijn,’ zei ze zonder een spoortje medelijden.
‘Alsjeblieft… mijn kinderen slapen…’ probeerde ik nog, maar ze onderbrak me: ‘U heeft genoeg kansen gehad. U moet nu het huis verlaten.’
Het voelde alsof ik door de grond zakte. Marieke kwam achter me staan, haar armen om Lotte en Daan geslagen. ‘Waar moeten we heen?’ vroeg ze zachtjes. Maar niemand gaf antwoord.
Die nacht sliepen we in de auto. Of nou ja, slapen… We zaten vooral te staren naar het plafond van onze oude Opel Astra, terwijl de kinderen probeerden te begrijpen waarom hun bedjes ineens weg waren. Marieke huilde stilletjes. Ik wilde haar troosten, maar voelde alleen maar schaamte en woede – op mezelf, op de wereld, op alles.
De volgende ochtend reed ik naar het huis van mijn broer, Erik. Hij woonde met zijn vrouw Karin en hun drie kinderen in een rijtjeshuis in Amersfoort. Ik had hem al maanden niet gesproken; onze relatie was bekoeld sinds hij vond dat ik ‘niet genoeg mijn best deed’ om werk te vinden.
Toen hij de deur opendeed en mij met mijn gezin zag staan, trok hij zijn wenkbrauwen op. ‘Bas… wat doe je hier?’
‘We hebben hulp nodig,’ zei ik schor. ‘We zijn ons huis kwijt.’
Karin kwam erbij staan en keek ons onderzoekend aan. ‘We hebben eigenlijk geen plek…’ begon ze, maar Erik onderbrak haar: ‘Ze kunnen wel even blijven. Toch?’
Die eerste dagen bij Erik waren ongemakkelijk. De kinderen voelden zich verloren tussen hun neefjes en nichtjes; Marieke en ik sliepen op een matras in de woonkamer. Karin maakte duidelijk dat ze niet zat te wachten op extra monden om te voeden. ‘Je moet echt snel iets regelen, Bas,’ zei ze op een avond terwijl ze afwaste.
Ik solliciteerde overal: bij supermarkten, als schoonmaker, zelfs als pakketbezorger. Maar overal kreeg ik hetzelfde antwoord: ‘We zoeken iemand met recente ervaring’ of ‘U past niet in het profiel’. Mijn zelfvertrouwen brokkelde af met elke afwijzing.
Op een avond hoorde ik Erik en Karin fluisteren in de keuken. ‘Hoe lang blijven ze nog? Het wordt zo wel erg vol hier…’
Ik voelde me een lastpost in het huis van mijn eigen broer.
Na twee weken kwam het onvermijdelijke gesprek. ‘Bas,’ zei Erik terwijl hij zijn koffie roerde, ‘je moet echt iets anders zoeken. Dit kan zo niet langer.’
Marieke keek me wanhopig aan. ‘Waar moeten we dan heen?’
‘Misschien kan je bij de gemeente aankloppen,’ zei Karin schouderophalend.
En zo stonden we weer buiten – met twee koffers en twee kinderen die hun knuffels stevig vasthielden.
Bij het loket van de gemeente Amersfoort zat een vrouw met een vriendelijk gezicht. Ze luisterde naar ons verhaal en knikte begrijpend. ‘Het is lastig,’ zei ze uiteindelijk, ‘maar er is een tijdelijke opvang voor gezinnen aan de rand van de stad.’
De opvang was een oud schoolgebouw dat was omgebouwd tot noodopvang. We kregen een kleine kamer met vier bedden en een kastje voor onze spullen. De gangen roken naar desinfectiemiddel en oude soep; overal hingen briefjes met regels: ‘Niet roken’, ‘Geen bezoek na 20:00’, ‘Houd het stil na 22:00’.
De eerste nacht lag ik wakker naast Marieke, luisterend naar het zachte gesnik van Lotte in het bed naast ons. Daan draaide zich steeds om in zijn slaap; hij miste zijn eigen kamer, zijn speelgoed, zijn vriendjes.
Overdag probeerde ik mezelf nuttig te maken door klusjes te doen voor andere bewoners: een lekkende kraan repareren, een lamp ophangen. Zo leerde ik Henk kennen – een man van in de vijftig die na zijn scheiding alles was kwijtgeraakt. Hij vertelde me over Stichting Present, een organisatie die mensen verbindt die hulp nodig hebben met vrijwilligers uit de buurt.
‘Misschien kunnen zij iets voor je betekenen,’ zei Henk terwijl we samen koffie dronken in de gemeenschappelijke keuken.
Ik besloot contact te zoeken met Stichting Present. Een paar dagen later stond er een vrouw voor onze deur: Anneke, vrijwilliger bij de stichting. Ze had warme ogen en sprak met zachte stem.
‘We gaan kijken wat we voor jullie kunnen doen,’ zei ze geruststellend.
Binnen een week regelde Anneke dat we tijdelijk in een leegstaand appartement mochten wonen van een oudere dame die naar een verzorgingshuis was verhuisd. Het was klein en kaal, maar het voelde als een paleis vergeleken met de opvang.
De buurt was vriendelijker dan ik had verwacht. Op een dag stond buurvrouw Els voor de deur met een pan erwtensoep en een stapel oude Donald Ducks voor de kinderen.
‘Je moet maar zeggen als je iets nodig hebt,’ glimlachte ze.
Langzaam begon er iets te veranderen in mij. De schaamte maakte plaats voor dankbaarheid – voor Anneke, voor Els, voor iedereen die ons hielp zonder iets terug te verwachten.
Met hulp van Anneke vond Marieke werk als caissière bij de lokale supermarkt; ik mocht klusjes doen bij een kleine aannemer in de buurt. Het was geen vetpot, maar we konden weer ademhalen.
Op een avond zaten we samen aan tafel – voor het eerst sinds maanden lachten Lotte en Daan weer om elkaars grapjes.
‘We redden het wel, hè pap?’ vroeg Daan voorzichtig.
Ik slikte en knikte. ‘Ja jongen… we redden het samen.’
Soms denk ik terug aan die nacht toen alles instortte – aan het gegil van Lotte, aan het gevoel van falen dat me bijna verlamde. Maar nu weet ik dat zelfs als je alles kwijtraakt, er altijd mensen zijn die je willen helpen – zelfs als je ze nog nooit hebt ontmoet.
En nu vraag ik me af: hoeveel mensen lopen er rond zoals wij toen? En wie durft er écht te vragen om hulp? Misschien is dat wel het moeilijkste van alles.