Mijn vrouw werd gek van het moederschap – tot ik voorstelde om van rol te wisselen
‘Weer zo’n dag, Daan. Ik trek dit niet meer,’ zegt Sophie terwijl ze met haar hand door haar warrige haar gaat. Haar ogen zijn rood van het huilen, en ik zie de wanhoop in haar blik. Onze dochter, Noor, huilt in de box. Het is half zeven ’s ochtends en ik heb net mijn eerste slok koffie genomen. Mijn maag draait zich om.
‘Sophie, ik weet dat het zwaar is, maar…’ begin ik voorzichtig, maar ze onderbreekt me.
‘Nee, je weet het niet! Jij gaat straks gewoon naar kantoor. Je drinkt je koffie op, stapt op de fiets en bent weg. Ik zit hier de hele dag opgesloten met een baby die alleen maar huilt of poept.’
Ik slik. Ze heeft gelijk, ergens. Maar ik voel ook onmacht. Ik werk fulltime bij een architectenbureau in Utrecht, en hoewel ik probeer thuis te helpen, voelt het alsof niets genoeg is. Sophie’s ouders wonen in Groningen en mijn moeder is vorig jaar overleden. We staan er alleen voor.
De eerste maanden na Noor’s geboorte waren magisch en chaotisch tegelijk. We waren zo blij toen ze eindelijk kwam, na twee jaar proberen en een miskraam die ons bijna brak. Maar nu lijkt die blijdschap ver weg. Sophie’s dagen zijn gevuld met voedingen, luiers en eindeloze wandelingen door de wijk in de hoop dat Noor even slaapt.
‘Misschien moet je gewoon weer gaan werken,’ zeg ik zachtjes. ‘Even wat afleiding?’
Ze kijkt me aan alsof ik haar heb geslagen. ‘Daan, denk je dat ik Noor zomaar naar een crèche breng? Ze is nog zo klein! En trouwens, wie zou er dan voor haar zorgen als ze ziek wordt? Jij?’
Ik voel me schuldig. Natuurlijk wil ik er zijn voor Noor, maar mijn werk vraagt ook alles van me. De deadlines stapelen zich op en mijn baas heeft al laten doorschemeren dat hij niet blij is met mijn flexibele uren.
Die avond lig ik wakker naast Sophie, die zachtjes snikt in het donker. Ik wil haar vasthouden, maar iets houdt me tegen. Misschien ben ik bang dat ik haar verdriet niet kan oplossen.
De volgende ochtend probeer ik het opnieuw.
‘Sophie, luister… Wat als we van rol wisselen? Jij gaat een paar dagen werken en ik blijf thuis met Noor.’
Ze kijkt me aan met een mengeling van ongeloof en woede. ‘Daan, denk je dat jij dit beter kan? Dat jij het allemaal wel even doet?’
‘Nee, dat zeg ik niet… Maar misschien helpt het jou om weer onder de mensen te zijn. En dan kan ik ervaren hoe het is om thuis te zijn met Noor.’
Ze zwijgt lang. Dan zegt ze: ‘Jij snapt er echt niks van.’
De dagen daarna hangt er een ijzige stilte in huis. Sophie praat nauwelijks tegen me. Noor voelt de spanning en huilt meer dan ooit. Ik probeer alles: koken, schoonmaken, zelfs ’s nachts opstaan als Noor wakker wordt. Maar niets lijkt goed genoeg.
Op een avond barst Sophie uit.
‘Weet je wat het is, Daan? Jij hebt altijd een uitweg. Je werk, je vrienden, zelfs je sportclub op donderdagavond. Ik heb niks meer! Mijn wereld is zo klein geworden dat ik mezelf niet meer herken.’
Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik voel me schuldig omdat ik soms verlang naar mijn oude leven: uit eten gaan met vrienden, spontaan naar de film, uitslapen op zondag.
Op een zondagmiddag komt mijn zus Marieke langs. Ze ziet meteen dat er iets mis is.
‘Jullie moeten praten,’ zegt ze streng als Sophie even boven is met Noor. ‘Dit gaat zo niet langer.’
‘Ik weet het niet meer, Mariek,’ fluister ik. ‘Ik doe alles wat ik kan.’
‘Misschien moet je gewoon echt een week thuisblijven met Noor,’ zegt ze zachtjes. ‘Laat Sophie even ademhalen.’
Die avond stel ik het voor aan Sophie.
‘Ik neem een week vrij van werk,’ zeg ik vastberaden. ‘Jij gaat iets doen wat je leuk vindt. Desnoods ga je bij je ouders logeren.’
Tot mijn verbazing knikt ze langzaam.
De week die volgt is de zwaarste uit mijn leven. Noor huilt veel, slaapt weinig en heeft last van doorkomende tandjes. Ik voel me opgesloten in huis; de dagen lijken eindeloos. Na drie dagen ben ik kapot.
Op dag vier bel ik Sophie huilend op.
‘Het spijt me,’ snik ik. ‘Ik wist niet dat het zo zwaar was.’
Ze zwijgt even aan de andere kant van de lijn.
‘Het is oké,’ zegt ze dan zachtjes. ‘Misschien moeten we hulp zoeken.’
We besluiten samen naar de huisarts te gaan. Sophie krijgt begeleiding van een psycholoog; ik praat met andere vaders op een forum over vaderschap en stress.
Langzaam vinden we elkaar terug. We leren om eerlijker te zijn over onze gevoelens en verwachtingen. Soms huilen we samen om alles wat we zijn kwijtgeraakt – vrijheid, spontaniteit – maar ook om wat we hebben gewonnen: Noor’s eerste lachje, haar kleine handje in de mijne.
Toch blijft er iets knagen.
Soms vraag ik me af: waarom praten we zo weinig over hoe zwaar het ouderschap kan zijn? Waarom verwachten we dat moeders alles maar aankunnen? En waarom voel ik me nog steeds schuldig als ik toegeef dat ook ík soms wil vluchten?
Misschien zijn er meer ouders zoals wij – die zich afvragen of ze het wel goed doen, die balanceren tussen liefde en uitputting.
Hebben jullie dat ook wel eens gevoeld? Of ben ik de enige die soms verlangt naar vroeger – en tegelijk nooit meer terug zou willen?