In één kamer met drie kleinkinderen en een vierde op komst: Hoe mijn gezin uit elkaar dreigde te vallen

‘Mam, ik weet niet wat ik moet doen…’

De stem van mijn zoon Daan trilt aan de andere kant van de lijn. Het is laat, ik zit met een kop thee aan de keukentafel, het licht fel in de verder donkere flat. Mijn hart slaat over. ‘Wat is er, Daan?’

‘Sanne is zwanger.’

Het is alsof de tijd even stilstaat. Mijn zoon, mijn slimme, gevoelige jongen, net klaar met zijn studie aan de Hogeschool van Amsterdam. Ik hoor zijn ademhaling, snel en onregelmatig. ‘Hoe… hoe lang al?’

‘Zeven weken. Ze wil het houden, mam. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik ben nog niet eens begonnen met werken.’

Ik sluit mijn ogen. Mijn hoofd vult zich met beelden: Daan als kleine jongen, zijn eerste schooldag, zijn diploma-uitreiking. En nu dit. ‘We komen hier samen uit,’ zeg ik, terwijl ik voel hoe de verantwoordelijkheid als een zware jas om mijn schouders valt.

Dat was vijf jaar geleden. Nu zit ik in een kleine sociale huurflat in Almere, één slaapkamer, een woonkamer die ’s nachts verandert in een slaapzaal. Drie kleinkinderen – Lotte van vier, Bram van twee en baby Noor – slapen verspreid over matrassen en kinderbedjes. En Sanne is weer zwanger.

Elke ochtend word ik wakker van het gehuil van Noor. Ik sluip uit bed om haar te troosten voordat ze de anderen wakker maakt. Sanne ligt op de bank, haar gezicht bleek, haar buik al zichtbaar rond. Daan werkt nachtdiensten bij een distributiecentrum; hij komt pas rond zeven uur thuis.

‘Mam, kun jij Lotte aankleden? Ik ben zo misselijk,’ fluistert Sanne als ik haar een glas water breng.

Ik knik en til Lotte uit haar bedje. Ze slaat haar armpjes om mijn nek. ‘Oma, mag ik vandaag naar het park?’

‘Misschien straks, lieverd.’ Maar ik weet dat het waarschijnlijk niet lukt vandaag. Er moet gewassen worden, boodschappen gedaan, en Bram heeft koorts.

Het huis voelt steeds kleiner. De muren komen op me af. Soms lijkt het alsof we allemaal verdrinken in de chaos van luiers, speelgoed en eindeloze wasmanden. Daan en Sanne maken steeds vaker ruzie.

‘Je bent nooit thuis!’ schreeuwt Sanne als hij weer eens te laat thuiskomt.

‘Ik werk me kapot voor jullie!’ roept Daan terug, zijn ogen rood van vermoeidheid.

Ik probeer te bemiddelen, maar voel me machteloos. Mijn eigen leven lijkt verdwenen; alles draait om overleven, zorgen dat iedereen te eten heeft en dat de kinderen veilig zijn.

Mijn zus Marijke belt soms. ‘Waarom laat je ze niet gewoon gaan? Ze zijn volwassen, Ans! Je kunt niet alles oplossen.’

Maar hoe kan ik mijn kleinkinderen op straat laten staan? Waar moeten ze heen? De wachtlijsten voor een sociale huurwoning zijn eindeloos. Sanne’s ouders willen niets meer met haar te maken hebben sinds ze zwanger raakte van Daan.

Soms droom ik van vroeger, toen het huis nog stil was en ik alleen was met mijn gedachten. Maar dan hoor ik Bram lachen of zie ik Lotte’s slaperige glimlach en weet ik dat ik niet zonder hen zou kunnen.

Toch knaagt het schuldgevoel aan me. Heb ik gefaald als moeder? Had ik Daan beter moeten opvoeden? Had ik hem meer moeten leren over verantwoordelijkheid?

Op een avond zit ik met Daan op het balkon. Hij rookt een sigaret, zijn schouders hangen.

‘Mam… denk je dat we het ooit beter krijgen?’

Ik kijk naar de lichten van de stad in de verte. ‘Ik weet het niet, jongen. Maar we geven niet op.’

Hij knikt langzaam. ‘Soms denk ik dat Sanne en ik elkaar kapotmaken.’

‘Jullie zijn moe,’ zeg ik zacht. ‘En bang.’

Hij veegt een traan weg. ‘Ik wilde zo graag alles anders doen dan papa.’

Mijn ex-man verliet ons toen Daan acht was. Sindsdien heb ik alles alleen gedaan. Nu herhaalt de geschiedenis zich op een andere manier.

De volgende dag komt de maatschappelijk werker langs. Ze kijkt bezorgd naar de stapelbedden in de woonkamer.

‘Dit is geen situatie voor vier kinderen,’ zegt ze streng.

‘Wat moet ik dan?’ vraag ik wanhopig.

Ze zucht. ‘We kunnen kijken naar tijdelijke opvang voor Sanne en de kinderen.’

Sanne barst in tranen uit. ‘Ik wil niet weg bij Ans! Zij is de enige die ons helpt!’

Ik voel me verscheurd tussen mijn eigen grenzen en hun nood.

’s Nachts lig ik wakker naast Noor’s wiegje en luister naar het zachte snurken van Bram en Lotte. Mijn gedachten razen: hoe lang houden we dit nog vol? Hoeveel kan één mens dragen?

Op een dag komt Daan thuis met goed nieuws: hij mag beginnen als magazijnchef. Meer geld, vaste uren.

‘Misschien kunnen we eindelijk iets groters huren,’ zegt hij hoopvol.

Maar Sanne reageert lauw. ‘En wie zorgt er dan voor de kinderen? Ik kan niet alles alleen doen.’

De spanning stijgt weer. Ik probeer iedereen gerust te stellen, maar voel hoe mijn eigen reserves opraken.

Op een regenachtige middag barst alles los. Lotte gooit haar beker melk omver, Bram gilt omdat zijn speelgoed kapot is en Noor huilt ontroostbaar. Sanne schreeuwt tegen Daan dat ze het niet meer aankan; Daan smijt de deur dicht en verdwijnt naar buiten.

Ik zak neer op de bank en huil stilletjes mee met Noor.

Later die avond komt Daan terug, natgeregend en verslagen.

‘Mam… misschien moeten we hulp accepteren.’

We besluiten samen met de maatschappelijk werker te praten over begeleid wonen voor jonge gezinnen. Het idee dat ze misschien binnenkort uit huis gaan maakt me verdrietig én opgelucht tegelijk.

De weken daarna zijn zwaar maar hoopvol. We krijgen hulp bij het zoeken naar woonruimte; Sanne krijgt begeleiding voor haar depressie; Daan volgt een cursus ouderschap.

Op een dag zit ik alleen aan tafel terwijl de kinderen slapen en Daan en Sanne op gesprek zijn bij de woningbouwvereniging.

Ik kijk naar hun foto’s op de kast: lachende gezichtjes vol toekomst die nog niet weten hoe zwaar het leven soms kan zijn.

Heb ik gefaald als moeder? Of heb ik juist alles gegeven wat ik kon?

Zou jij je familie laten gaan als je zelf bijna kopje-onder gaat? Of blijf je vechten tot je laatste kracht? Wat zou jij doen?