Hoe ik mijn huwelijk redde met geloof en gebed: Mijn strijd tussen liefde, teleurstelling en hoop

‘Waarom kom je nou weer zo laat thuis, Jeroen?’ Mijn stem trilde, niet van woede, maar van vermoeidheid. Het was al half twaalf en de kinderen lagen al uren in bed. Ik zat aan de keukentafel, mijn handen om een koude mok thee gevouwen. Jeroen gooide zijn jas over de stoel en zuchtte diep. ‘Ik was bij Mark. Gewoon… even weg van alles.’

Ik voelde hoe mijn hart zich aanspande. Vier jaar geleden had ik nooit gedacht dat ons huwelijk zo zou worden. Toen Jeroen zijn baan verloor, zei ik nog: ‘We komen hier samen doorheen.’ Maar maand na maand werd het moeilijker. Ik werkte als verpleegkundige in het ziekenhuis in Utrecht, draaide dubbele diensten, terwijl Jeroen steeds meer in zichzelf keerde. Hij solliciteerde wel, zei hij, maar ik zag de brieven nooit. De rekeningen stapelden zich op. Mijn moeder zei: ‘Marjolein, je kunt niet alles alleen dragen.’ Maar wie moest het anders doen?

De volgende ochtend zat ik in de badkamer, de deur op slot. Mijn hoofd bonkte. ‘Heer, geef me kracht,’ fluisterde ik. Het was het enige wat ik nog kon doen: bidden. Soms voelde het alsof God ver weg was, alsof Hij niet luisterde. Maar op andere momenten voelde ik een zachte rust over me heen komen, een fluistering dat ik niet alleen was.

‘Mama, waar is papa?’ vroeg Lotte, onze oudste van zeven, toen ze beneden kwam. ‘Papa slaapt nog even uit, lieverd,’ loog ik. In werkelijkheid lag Jeroen op de bank, zijn gezicht naar de muur gekeerd. We praatten nauwelijks nog met elkaar. Als we al spraken, ging het over geld of over de kinderen.

Op een avond kwam mijn schoonmoeder langs. Ze keek me doordringend aan. ‘Marjolein, je moet hem niet zo pushen. Mannen hebben hun trots.’ Ik beet op mijn lip om niet te schreeuwen. ‘En wat als die trots ons gezin kapotmaakt?’ vroeg ik zachtjes.

De dagen werden weken, de weken maanden. Ik voelde me steeds leger worden. Op mijn werk hield ik me groot, maar in de auto naar huis huilde ik vaak. Soms dacht ik eraan om weg te gaan. Maar dan keek ik naar Lotte en Bram en wist: ik kan ze dit niet aandoen.

Op een zondagmiddag zat ik alleen in de kerkbank. De dominee sprak over volhouden in moeilijke tijden. ‘God ziet uw tranen,’ zei hij. Ik voelde hoe mijn ogen prikten. Na de dienst bleef ik zitten tot iedereen weg was. Toen kwam mevrouw De Vries naast me zitten, een oude weduwe uit de buurt.

‘Je hoeft niet alles alleen te dragen, Marjolein,’ zei ze zachtjes. ‘Soms moet je hulp vragen.’

Die avond besloot ik met Jeroen te praten. Geen verwijten, geen ruzie – gewoon praten.

‘Jeroen,’ begon ik voorzichtig terwijl we samen aan tafel zaten, ‘ik red het niet meer alleen. Ik voel me zo alleen in dit huwelijk.’

Hij keek me aan met rode ogen. ‘Ik weet het,’ fluisterde hij. ‘Ik schaam me zo verschrikkelijk. Elke keer als jij weer een rekening betaalt… Ik voel me waardeloos.’

Voor het eerst in maanden huilden we samen. Hij vertelde dat hij bang was om te falen, dat hij zich nutteloos voelde sinds hij zijn baan kwijt was geraakt en dat hij daarom soms gewoon wilde verdwijnen.

‘Waarom heb je dat nooit gezegd?’ vroeg ik snikkend.

‘Omdat ik dacht dat jij sterk genoeg was voor ons allebei,’ zei hij schamper.

Die nacht sliep hij weer in ons bed. Het was geen magische oplossing; de problemen waren niet ineens verdwenen. Maar er was iets veranderd: we praatten weer.

De weken daarna probeerden we samen oplossingen te zoeken. Jeroen ging vrijwilligerswerk doen bij een buurthuis om weer ritme te krijgen en zelfvertrouwen op te bouwen. Het was niet makkelijk – er waren dagen dat hij zich weer terugtrok of dat we ruzie kregen over kleine dingen.

Op een avond zat ik weer aan de keukentafel met mijn Bijbel open voor me. Lotte kwam naast me zitten.

‘Bid je weer voor papa?’ vroeg ze zachtjes.

Ik knikte en trok haar dicht tegen me aan.

‘Mag ik mee bidden?’

Samen vouwden we onze handen en baden voor kracht, voor hoop en voor liefde in ons gezin.

Langzaam kwam er verandering. Jeroen vond na maanden vrijwilligerswerk een parttime baan bij een fietsenmaker in het dorp. Het was geen vetpot, maar hij kwam weer thuis met verhalen en een glimlach op zijn gezicht.

We leerden opnieuw naar elkaar te luisteren – niet alleen naar woorden, maar ook naar stiltes en blikken.

Toch bleef er pijn hangen tussen ons; het vertrouwen had een deuk opgelopen die tijd nodig had om te helen.

Op een dag kwam mijn moeder langs met appeltaart.

‘Je hebt gevochten als een leeuwin,’ zei ze terwijl ze mijn hand pakte.

Ik glimlachte flauwtjes. ‘Soms weet ik niet of het genoeg is geweest.’

Ze keek me aan met haar zachte ogen: ‘Soms is volhouden het dapperste wat je kunt doen.’

Nu, vier jaar later, kijk ik terug op die donkere periode als een tijd waarin ik mezelf opnieuw heb leren kennen – niet als slachtoffer, maar als iemand die ondanks alles bleef hopen en geloven.

Soms vraag ik me af: hoeveel kan een mens dragen voordat hij breekt? En hoeveel kracht schuilt er in een simpel gebed?

Wat denken jullie: is liefde genoeg om alles te overwinnen? Of zijn er grenzen aan wat je voor een ander kunt doen?