Het huis op de kruising: Tussen verleden en toekomst – Mijn zus en ik voor een onmogelijke keuze
‘Dus jij kiest gewoon voor geld, hè?’ Marleen’s stem trilt, haar handen zijn tot vuisten gebald op het verweerde tafelkleed van onze moeder. Buiten tikt de regen tegen het raam van het huis waar we zijn opgegroeid, het huis dat nu als een zware steen op onze schouders drukt.
Ik slik. ‘Nee, Marleen. Ik kies niet voor geld. Maar kijk om je heen. Het dak lekt, de kozijnen rotten weg. We kunnen dit niet meer bijbenen. Mam zou niet willen dat we onszelf kapotmaken voor een hoop bakstenen.’
Ze kijkt me aan met die blik die ik zo goed ken – koppig, gekwetst, en ergens daarachter een sprankje hoop dat ik toch nog van gedachten verander. ‘Het is niet zomaar een hoop bakstenen, Eva. Dit is ons thuis. Hier zijn we opgegroeid. Hier rook het altijd naar appeltaart als we uit school kwamen. Hier sliep papa zijn middagdutje op zondag.’
Ik voel de brok in mijn keel groeien. Hoe vaak heb ik niet verlangd naar die geur van appeltaart, naar de geruststellende routine van vroeger? Maar de werkelijkheid is anders nu. Mam is al drie jaar dood, papa woont in een verzorgingshuis in Amersfoort en herkent ons nog maar zelden. Het huis staat leeg, behalve als wij er zijn om te poetsen of post op te halen.
‘We kunnen het niet betalen, Marleen,’ zeg ik zacht. ‘De hypotheek, de belastingen, de reparaties… Ik heb het allemaal doorgerekend. Zelfs als we alles op alles zetten, houden we het misschien nog een jaar vol. En dan?’
Ze draait haar hoofd weg, veegt snel een traan weg. ‘Misschien moeten we gewoon harder proberen. Of… of misschien wil Bas wel helpen.’
Ik zucht. Bas, haar man, heeft al genoeg aan zijn hoofd met zijn eigen bedrijf dat op omvallen staat. En mijn vriend Jeroen? Die heeft altijd gezegd dat hij nooit in dit dorp wil wonen.
‘Weet je nog,’ begin ik aarzelend, ‘hoe we vroeger hutten bouwden in de tuin? Hoe jij altijd boos werd als ik jouw takken gebruikte?’
Ze glimlacht flauwtjes. ‘En jij altijd vals speelde met verstoppertje.’
‘Misschien…’ Ik zoek naar woorden. ‘Misschien is het tijd om een nieuw hoofdstuk te beginnen. Niet omdat we vergeten wat was, maar omdat we anders vast blijven zitten.’
Ze kijkt me aan, haar ogen rood van het huilen. ‘En als we verkopen? Wat blijft er dan nog over van ons?’
Die vraag spookt al weken door mijn hoofd. Wat blijft er over van ons? Zijn wij zonder dit huis nog steeds zussen? Of is dit huis het laatste wat ons bindt?
De dagen erna zijn gevuld met stilte en spanning. We ontwijken elkaar in de gang, praten alleen over praktische zaken: wie haalt de post, wie belt de makelaar voor een taxatie? Ik slaap slecht, droom van onze moeder die in de keuken staat en me streng aankijkt: ‘Eva, zorg goed voor je zus.’
Op een zaterdagmiddag komt Marleen onverwacht langs. Ze heeft haar dochtertje Noor bij zich, die meteen naar boven rent om met onze oude knuffels te spelen.
‘Ik heb nagedacht,’ zegt Marleen terwijl ze haar jas uittrekt. ‘Misschien heb je gelijk. Misschien moeten we het verkopen. Maar…’
Ik wacht gespannen.
‘Maar ik wil niet dat alles zomaar verdwijnt. Ik wil foto’s maken van elke kamer. Ik wil dat Noor nog één keer hier haar verjaardag viert. En ik wil dat we samen beslissen wat er met alle spullen gebeurt.’
Ik voel opluchting én verdriet tegelijk. ‘Dat lijkt me eerlijk.’
De weken die volgen zijn een achtbaan van emoties. We lachen om oude schoolrapporten (‘Eva praat teveel in de klas’), huilen om vergeten brieven van papa aan mama (‘Lieve Elsje, ik mis je zelfs als je naast me ligt’), en ruziën over wie de oude platenspeler krijgt (‘Jij hebt hem nooit gebruikt!’).
Op een avond zitten we samen op zolder tussen dozen vol herinneringen.
‘Weet je nog,’ zegt Marleen zacht, ‘hoe we hier stiekem chips aten als mam dacht dat we sliepen?’
Ik glimlach door mijn tranen heen. ‘En hoe jij altijd bang was voor spinnen?’
Ze lacht schor. ‘Ben ik nog steeds.’
We besluiten samen een afscheidsfeest te organiseren voor familie en vrienden. De tuin wordt versierd met lampionnen, er is appeltaart zoals vroeger en zelfs papa wordt in zijn rolstoel gebracht door de verpleging.
Tijdens het feest zie ik hoe Noor met haar nichtjes tikkertje speelt onder de oude appelboom. Even lijkt alles weer zoals vroeger – tot ik Marleen zie staan bij het raam, starend naar binnen.
‘Gaat het?’ vraag ik zacht.
Ze knikt langzaam. ‘Het doet pijn. Maar misschien is dit wel goed zo.’
Na het feest komt de makelaar langs. Het bord ‘Te Koop’ wordt in de voortuin gezet. Het voelt alsof ik verraad pleeg – aan mijn ouders, aan mijn jeugd, aan mezelf.
De weken daarna verlopen in een roes. Bezichtigingen, biedingen, onderhandelingen – alles gaat snel en onpersoonlijk. Op de dag van de overdracht lopen Marleen en ik samen nog één keer door het lege huis.
In de woonkamer blijven we staan.
‘Denk je dat mam trots op ons zou zijn?’ vraagt Marleen zacht.
Ik slik en kijk naar het licht dat door de vuile ramen valt. ‘Ik weet het niet zeker,’ fluister ik. ‘Maar ik denk dat ze zou willen dat we gelukkig zijn – samen.’
Buiten sluiten we samen de deur af.
Nu zit ik thuis in mijn kleine flatje in Utrecht en staar naar een vergeelde foto van ons gezin in betere tijden. Was dit het juiste besluit? Hebben we iets verloren wat nooit meer terugkomt – of hebben we juist ruimte gemaakt voor iets nieuws?
Wat betekent thuis eigenlijk? Is het een plek, of zijn het de mensen met wie je herinneringen deelt? Misschien is het allebei – of geen van beide.