Na de scheiding werd ik dakloos – nu bouw ik mijn eigen huis, maar mijn nieuwe liefde brengt nieuwe zorgen
‘Waarom ben je zo laat, Marieke? Je weet dat ik niet van wachten houd.’
De stem van mijn ex-man, Sander, galmt nog na in mijn hoofd, zelfs nu – drie jaar na de scheiding. Ik sta in de regen voor het tijdelijke appartementje in Utrecht dat ik via de gemeente kreeg toegewezen. Mijn handen trillen als ik de sleutel omdraai. Het is koud, het ruikt naar vocht en oude sigaretten. Alles wat ik bezit past in drie dozen en een koffer. Mijn leven, gereduceerd tot karton en plastic.
Tien jaar lang dacht ik dat Sander en ik het perfecte stel waren. We leerden elkaar kennen op de middelbare school in Amersfoort. Hij was die populaire jongen met zijn blonde krullen en eeuwige glimlach. Ik was het meisje dat altijd haar huiswerk op tijd had, onzichtbaar voor de rest. Maar hij zag mij. Of dat dacht ik tenminste.
‘Weet je nog hoe gelukkig we waren?’ vroeg hij me op een avond, vlak voordat alles instortte. Maar het geluk was allang verdwenen. De laatste drie jaar waren een hel. Sander verloor zijn baan bij de bank en begon te drinken. Hij werd onvoorspelbaar, boos om niets. Soms gooide hij met borden, schreeuwde hij tegen me dat ik ondankbaar was. Ik probeerde hem te helpen, maar hij duwde me steeds verder weg.
Mijn moeder zei altijd: ‘Marieke, liefde is geven en nemen.’ Maar hoeveel kun je geven voordat je jezelf verliest?
De dag dat ik vertrok, regende het net zo hard als nu. Sander stond in de deuropening en lachte spottend toen ik mijn koffers pakte. ‘Je redt het toch niet zonder mij,’ zei hij. ‘Je bent niks zonder dit huis.’
Misschien had hij gelijk. De eerste weken sliep ik op de bank bij mijn zus Anouk in Hilversum. Haar man, Bas, keek me elke ochtend aan alsof ik een mislukkeling was. ‘Je had gewoon moeten blijven,’ zei hij eens tijdens het ontbijt. ‘Iedereen heeft wel eens ruzie.’
Maar dit was geen gewone ruzie. Dit was elke dag bang zijn voor de man met wie je ooit je toekomst zag.
Toen ik eindelijk een sociale huurwoning kreeg toegewezen in Utrecht, voelde het als een overwinning – tot ik binnenstapte en besefte dat het nauwelijks groter was dan een studentenkamer. De muren waren kaal, de vloer vol vlekken van vorige bewoners. Maar het was van mij.
Ik vond werk als administratief medewerker bij een klein advocatenkantoor aan de Oudegracht. Mijn collega’s waren vriendelijk, maar hielden afstand. Niemand wist van mijn verleden – behalve Ilse, die me op een dag bij het koffieapparaat aansprak.
‘Je kijkt altijd zo verdrietig, Marieke,’ zei ze zachtjes. ‘Wil je erover praten?’
Ik wilde schreeuwen, huilen, alles eruit gooien. Maar ik glimlachte alleen en zei: ‘Het gaat wel.’
’s Avonds zat ik urenlang alleen aan mijn keukentafel, starend naar de lege muren. Soms dacht ik aan Sander – of hij nog steeds dronk, of hij ooit spijt had van wat hij me aandeed.
Na een jaar begon ik langzaam weer te leven. Ik kocht een fiets, ging naar yogalessen in het park en leerde nieuwe mensen kennen. Op een dag ontmoette ik Jeroen bij de bouwmarkt in Leidsche Rijn. Hij vroeg of ik hulp nodig had met het uitzoeken van verf.
‘Ik ben niet zo handig,’ lachte hij verlegen.
‘Ik ook niet,’ gaf ik toe.
We dronken koffie bij hem thuis – een klein huisje aan de rand van de stad, vol planten en boeken. Jeroen was anders dan Sander: zacht, geduldig, altijd luisterend.
Toch bleef er iets knagen. Elke keer als Jeroen me omhelsde, voelde ik spanning in mijn schouders. Wat als hij ook verandert? Wat als het allemaal weer misgaat?
Toen mijn huurcontract afliep en de verhuurder het appartement wilde verkopen, stond ik opnieuw op straat. Dit keer zonder familie die kon helpen – Anouk was net gescheiden en woonde tijdelijk bij vrienden in Bussum.
‘Kom bij mij wonen,’ stelde Jeroen voor.
Maar iets hield me tegen. Ik wilde niet weer afhankelijk zijn van een man.
Dus besloot ik iets te doen wat niemand verwachtte: ik kocht een klein stuk grond net buiten Utrecht – met spaargeld dat ik jarenlang had opgespaard en een lening van de bank.
‘Ben je gek geworden?’ riep mijn moeder toen ze het hoorde. ‘Een vrouw alleen bouwt geen huis!’
Maar ik deed het toch.
Elke dag na mijn werk trok ik oude kleren aan en werkte samen met bouwvakkers aan mijn eigen huisje – een houten tiny house van 40 vierkante meter. Ik leerde hoe je muren isoleert, hoe je elektriciteit aanlegt, hoe je zelf een keuken installeert.
Jeroen kwam vaak helpen, maar soms voelde zijn aanwezigheid verstikkend.
‘Waarom laat je me niet meer toe?’ vroeg hij op een avond terwijl we samen op de vloer zaten tussen stapels planken.
Ik keek hem aan en voelde tranen branden achter mijn ogen.
‘Omdat ik bang ben,’ fluisterde ik. ‘Bang dat alles weer kapotgaat.’
Hij pakte mijn hand vast.
‘Ik ben niet Sander,’ zei hij zachtjes.
Maar hoe weet je dat zeker? Hoe weet je ooit zeker dat iemand blijft zoals hij is?
De bouw vorderde langzaam maar gestaag. Mijn handen zaten vol blaren, maar elke dag voelde als een overwinning op mezelf – op alles wat Sander me had afgenomen.
Op een koude novemberavond stond ik eindelijk in mijn eigen huisje. Het rook naar vers hout en nieuwe verf. Buiten huilde de wind door de bomen, maar binnen was het warm en veilig.
Jeroen stond in de deuropening met twee mokken thee.
‘Dit heb je zelf gedaan,’ zei hij trots.
Ik glimlachte voorzichtig.
Toch bleef er twijfel knagen. Kan liefde echt opnieuw beginnen als je hart nog vol littekens zit? Of blijf je altijd bang voor wat er mis kan gaan?
Soms vraag ik me af: hoeveel moed heb je nodig om opnieuw te vertrouwen? En durf jij het aan om alles achter je te laten voor een nieuw begin?