Mijn man verdween tijdens een zakenreis – en de waarheid brak mijn hart

‘Je hoeft niet op me te wachten vanavond, Sanne. Het wordt laat, ik bel wel als ik in het hotel ben.’ Zijn stem klonk gehaast, bijna verveeld, terwijl hij zijn jas dichtknoopte. Ik stond in de deuropening, mijn handen om een halflege koffiemok geklemd. ‘Vergeet je tandenborstel niet,’ probeerde ik nog luchtig, maar hij lachte alleen kort. ‘Tot zondag.’

De deur viel dicht. Het geluid van zijn voetstappen op de trap, het korte toeteren van zijn auto – het was allemaal zo gewoon. Maar die ochtend voelde anders. De stilte die achterbleef was dikker dan anders, bijna verstikkend. Ik bleef staan tot ik zijn auto niet meer hoorde, alsof ik daarmee iets kon tegenhouden wat allang in gang was gezet.

De eerste dag ging voorbij zoals altijd. Ik werkte thuis, maakte een wandeling door het park in Utrecht, at alleen aan tafel. De kinderen waren al uit huis; hun kamers lagen er verlaten bij. De avond viel en ik wachtte op zijn telefoontje. Om acht uur stuurde ik een appje: ‘Ben je goed aangekomen?’ Geen reactie. Om half tien belde ik. Voicemail.

‘Misschien druk,’ fluisterde ik tegen mezelf. Maar toen ik de volgende ochtend nog steeds niets had gehoord, begon het te knagen. Ik probeerde hem opnieuw te bellen, stuurde nog een bericht. Geen blauwe vinkjes. Mijn hart bonsde in mijn keel.

Tegen de middag belde ik zijn collega, Erik. ‘Hoi Erik, weet jij of Mark goed is aangekomen in Groningen?’

Erik klonk verbaasd. ‘Mark? Die zou toch naar Maastricht moeten deze week?’

Het werd koud in mijn woonkamer. ‘Nee, hij zei Groningen.’

‘Nee hoor, hij heeft geen afspraken deze week. Hij heeft vorige week zelfs gezegd dat hij wat rustiger aan zou doen.’

Ik hing op met trillende handen. Mijn gedachten tolden. Waarom zou Mark liegen over waar hij heen ging? Waar was hij dan wél?

De uren sleepten zich voort. Ik probeerde mezelf gerust te stellen – misschien was er iets mis met zijn telefoon, misschien was hij gewoon vergeten te bellen. Maar diep vanbinnen wist ik dat er iets niet klopte.

Twee dagen later stond de politie voor mijn deur. ‘Mevrouw de Vries? We hebben uw man gevonden.’

Mijn benen werden week. ‘Is hij…?’

‘Hij leeft, maar…’ De agent aarzelde. ‘Hij is betrokken geraakt bij een incident in Rotterdam.’

Rotterdam? Mijn hoofd tolde opnieuw.

‘We willen u vragen om mee te komen naar het bureau.’

In de auto naar het politiebureau voelde ik me alsof ik droomde. Alles was wazig, geluiden kwamen van ver. Op het bureau zat Mark – verwilderd, zijn haar door de war, ogen rood van het huilen.

‘Sanne…’ Zijn stem brak.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik, mijn stem schor van angst en woede.

Hij keek me niet aan. ‘Ik… Ik kon niet meer. Ik ben naar haar gegaan.’

‘Haar?’ Mijn maag draaide om.

‘Linda,’ fluisterde hij. ‘We kennen elkaar al maanden. Ik wilde weg bij jou, maar ik durfde het niet te zeggen.’

Het voelde alsof iemand een mes in mijn borst stak. Al die jaren samen – de kinderen, de vakanties in Zeeland, de avonden op de bank met thee en stroopwafels – alles leek ineens niets meer waard.

‘Waarom?’ vroeg ik zacht.

Hij haalde zijn schouders op, tranen stroomden over zijn wangen. ‘Ik voelde me leeg, Sanne. We leefden langs elkaar heen. Jij had je werk, ik had het mijne… De stilte thuis werd te groot.’

Ik dacht aan al die avonden waarop we zwijgend naast elkaar zaten, ieder verdiept in onze eigen wereld. Had ik het kunnen zien aankomen? Had ik harder moeten vechten voor ons?

De politie vertelde dat Mark was gevonden na een melding van huiselijk geweld bij Linda thuis – een ruzie die uit de hand was gelopen toen zij hem vertelde dat ze niet met hem verder wilde.

Ik voelde geen woede meer, alleen verdriet en schaamte. Voor hem, voor mijzelf, voor onze kinderen die nu zouden moeten horen dat hun vader niet zomaar verdwenen was – maar gevlucht voor zijn eigen leven.

Thuis zat ik urenlang op de bank, starend naar de lege mok die hij die ochtend had achtergelaten in de gootsteen. Alles voelde zinloos.

Mijn dochter belde: ‘Mam? Is alles goed?’

Ik slikte mijn tranen weg. ‘Nee lieverd… Papa komt niet meer terug.’

Ze huilde aan de andere kant van de lijn. ‘Hoe kan dat nou? Jullie waren altijd samen…’

Was dat zo? Of hadden we elkaar allang verloren zonder het te merken?

De weken daarna waren een waas van gesprekken met advocaten, familieleden die hun mening klaar hadden (‘Je had het moeten zien aankomen’, zei mijn schoonzus hard), en slapeloze nachten vol spijt en woede.

Op een dag vond ik een briefje in Marks nachtkastje: ‘Soms is liefde niet genoeg om bij elkaar te blijven.’ Zijn handschrift trilde.

Nu zit ik hier, maanden later, alleen aan tafel met een kop thee en kijk naar buiten hoe de regen tegen het raam tikt. Ik vraag me af: hoeveel mensen leven er zo – samen maar toch alleen? En wat als we eerder hadden gepraat? Had het dan anders kunnen lopen?

Wat denken jullie: kun je echt weten wat er in iemand omgaat – zelfs na dertig jaar samen?