Wanneer je eigen kind je vergeet: Het verhaal van Suze

‘Mam, kun je me even tikkie sturen voor die nieuwe sportschoenen? Ze zijn in de aanbieding, maar ik heb nu even niks op mijn rekening.’

Ik staar naar het scherm van mijn telefoon. De blauwe bolletjes van WhatsApp dansen ongeduldig. Mijn vingers trillen als ik antwoord typ: ‘Natuurlijk, lieverd. Hoeveel heb je nodig?’

Het is alweer de derde keer deze maand. Ik probeer niet te rekenen hoeveel geld ik haar dit jaar al heb gestuurd. Mijn hart doet pijn, maar niet om het geld. Om wat er niet meer is. Om wat we kwijt zijn geraakt.

Vroeger was alles anders. Vroeger was Lotte mijn kleine meisje, met haar blonde haren in vlechtjes en haar eindeloze vragen over de wereld. We wandelden samen door het Vondelpark, aten ijsjes bij IJscuypje en lachten om de eenden die achter ons aan waggelden. Ze hield mijn hand vast alsof ze nooit meer los wilde laten.

‘Mam, waarom huil je?’ vroeg ze eens, toen ze me betrapte terwijl ik stiekem een traan wegveegde bij het zien van een oude foto.

‘Omdat ik zo gelukkig ben met jou,’ had ik gezegd. En dat was waar.

Nu is ze negentien en woont ze op kamers in Utrecht. Ik zie haar zelden. Als ze belt, is het altijd kort en zakelijk. ‘Mam, kun je even…?’ of ‘Mam, heb je nog…?’ Nooit meer: ‘Mam, hoe gaat het met jou?’

Mijn man, Erik, zegt dat ik het los moet laten. ‘Ze is volwassen, Suze. Je moet haar laten gaan.’ Maar hij begrijpt het niet. Hij heeft altijd al afstandelijker in het leven gestaan. Zijn eigen moeder woont in Groningen en die spreekt hij misschien twee keer per jaar.

Soms denk ik dat ik te veel heb gegeven. Dat ik Lotte heb verwend, dat ik haar alles heb willen besparen wat mij vroeger pijn deed. Mijn eigen moeder was streng, kil bijna. Ze hield van orde en regels, niet van knuffels of lieve woorden. Ik wilde het anders doen. Maar nu vraag ik me af: heb ik haar daardoor juist van me vervreemd?

De stilte in huis is oorverdovend sinds Lotte weg is. Ik hoor alleen het tikken van de klok en het zachte gezoem van de koelkast. Erik werkt veel; hij komt laat thuis en eet dan snel een boterham voor de tv. Soms probeer ik een gesprek te beginnen over Lotte, maar hij zucht alleen maar.

‘Ze redt zich wel, Suze,’ zegt hij dan. ‘Maak je niet zo druk.’

Maar ik maak me wél druk. Elke dag opnieuw.

Op een regenachtige woensdag besluit ik haar onverwacht te bezoeken in Utrecht. Ik koop haar lievelingsbloemen – zonnebloemen – en neem een doosje macarons mee van haar favoriete bakkerij in Amsterdam.

Als ik bij haar studentenhuis aankom, ruikt het naar natte jassen en goedkope aftershave. De gang ligt vol met schoenen en lege bierkratten. Ik klop op haar deur.

‘Wie is daar?’ klinkt haar stem, geïrriteerd.

‘Ik ben het, mam.’

Er volgt een stilte. Dan gaat de deur op een kier.

‘Wat doe jij hier?’ vraagt ze verbaasd.

‘Ik dacht… misschien kunnen we samen lunchen? Ik heb macarons meegenomen.’

Ze kijkt langs me heen de gang in, alsof ze hoopt dat niemand haar ziet met haar moeder.

‘Mam, ik heb echt geen tijd nu. Ik moet zo naar college en daarna werk ik tot laat.’

Mijn hart zakt in mijn schoenen. ‘Misschien een andere keer dan?’ probeer ik voorzichtig.

Ze zucht. ‘Ja, misschien.’

Ik geef haar de bloemen en de macarons. Ze pakt ze aan zonder me aan te kijken.

‘Dank je wel,’ mompelt ze.

Ik draai me om en loop terug naar buiten, de regen in. Mijn jas is niet waterdicht; binnen een paar minuten ben ik doorweekt. In de trein terug naar Amsterdam staar ik uit het raam en probeer niet te huilen tussen de andere forenzen.

Thuis wacht Erik op me.

‘En?’ vraagt hij zonder op te kijken van zijn laptop.

‘Ze had geen tijd,’ zeg ik zacht.

Hij haalt zijn schouders op. ‘Dat zei ik toch.’

Die nacht lig ik wakker in bed. Mijn gedachten razen door mijn hoofd: Had ik haar moeten dwingen om te praten? Had ik haar moeten laten gaan? Heb ik ergens onderweg gefaald als moeder?

De volgende dag krijg ik een appje van Lotte: ‘Dankjewel voor de bloemen en macarons. Sorry dat ik zo kortaf was gisteren.’

Ik glimlach flauwtjes, maar het gevoel blijft knagen.

Op zondagmiddag belt mijn zus Marieke.

‘Hoe gaat het met jou en Lotte?’ vraagt ze voorzichtig.

Ik vertel haar alles – over het geld, over het bezoek, over mijn zorgen.

‘Misschien moet je haar gewoon even laten,’ zegt Marieke. ‘Ze komt vanzelf wel terug als ze ouder wordt.’

Maar wat als ze niet terugkomt? Wat als dit het is? Een leven waarin mijn dochter me alleen belt als ze iets nodig heeft?

Een paar weken later is het kerstmis. Lotte komt thuis eten, samen met haar nieuwe vriend Bas – een lange jongen met warrig haar en een ringetje in zijn oor. Ze praten vooral met elkaar; Erik kijkt voetbal op zijn telefoon onder tafel.

Na het eten help ik Lotte met de afwas.

‘Mam…’ begint ze aarzelend.

Mijn hart maakt een sprongetje – misschien wil ze eindelijk praten?

‘Kun je me eigenlijk helpen met mijn belastingaangifte? Ik snap er niks van.’

Ik slik mijn teleurstelling weg en knik. ‘Natuurlijk help ik je.’

Als ze later die avond vertrekt, geef ik haar een dikke knuffel. Ze laat zich gewillig vasthouden, maar haar blik dwaalt alweer af naar haar telefoon.

De dagen na kerst zijn donker en stil. Ik probeer mezelf bezig te houden met vrijwilligerswerk bij het buurthuis, maar zelfs daar voel ik me leeg.

Op een avond zit ik aan de keukentafel met een kop thee als Erik thuiskomt.

‘Je moet echt iets voor jezelf gaan doen,’ zegt hij ineens. ‘Je leeft alleen nog maar voor Lotte.’

‘Ze is mijn kind,’ zeg ik zacht.

‘Ja, maar ze is volwassen nu.’

Ik weet dat hij gelijk heeft, maar het voelt als verraad om haar los te laten.

De maanden verstrijken. Lotte belt af en toe – altijd om geld of praktische hulp te vragen. Nooit om gewoon te praten.

Op een dag krijg ik een uitnodiging voor haar afstudeerceremonie. Mijn hart maakt een sprongetje van blijdschap – eindelijk iets om samen te vieren! Ik koop een mooie jurk en schrijf een lange brief aan Lotte waarin ik vertel hoe trots ik op haar ben.

Na de ceremonie staan we buiten op het plein van de universiteit. Lotte lacht stralend met haar vrienden; Bas kust haar op haar wang. Als ze mij ziet staan met mijn camera, zwaait ze vluchtig.

‘Mam! Kun je even een foto maken van mij en Bas?’

Ik slik mijn teleurstelling weg en maak de foto’s die ze wil.

Als iedereen vertrekt, blijf ik alleen achter op het plein. Mijn handen trillen nog steeds van het vasthouden van de camera.

Thuis lees ik mijn brief opnieuw voordat ik hem weggeef aan de prullenbak. Misschien wil ze helemaal niet weten hoe trots ik ben; misschien wil ze gewoon verder met haar eigen leven zonder mij erbij.

Soms vraag ik me af: Is dit hoe het hoort te gaan? Is dit loslaten? Of ben ik gewoon vergeten?

En als je kind je vergeet… wie ben je dan nog?