“Ik dacht dat mijn broer maar even zou blijven – nu is mijn leven niet meer van mij”

‘Hoe lang blijf je nog, Daan?’ Mijn stem trilt, maar ik probeer het te verbergen achter een nonchalante toon. Hij kijkt niet op van zijn telefoon. ‘Weet ik niet, Sanne. Tot ik iets gevonden heb, toch?’

Het is alweer een jaar geleden dat ik hem die vraag voor het eerst stelde. Toen had ik nog hoop – hoop dat mijn kleine, zorgvuldig opgebouwde wereldje niet zou veranderen. Maar alles is veranderd. Mijn naam is Sanne van Dijk, 31 jaar, en ik dacht altijd dat ik alles onder controle had. Ik was de oudste, de verstandige, de “georganiseerde” zus. De eerste die ging werken, de eerste die spaarde, de eerste die haar eigen appartement kocht in Utrecht – klein, maar helemaal van mij.

Toen Daan vorig jaar belde – ‘San, mag ik een paar weken bij je logeren? Het gaat niet meer met Maaike en ik kan nergens heen’ – twijfelde ik geen seconde. Natuurlijk help je je broer. Familie is familie. Maar weken werden maanden, maanden werden een jaar. En nu lijkt het alsof hij hier nooit meer weggaat.

Elke ochtend word ik wakker van zijn muziek in de badkamer. Elke avond struikel ik over zijn schoenen in de gang. Mijn woonkamer is bezaaid met zijn spullen: zijn gitaar, zijn sporttas, zijn eindeloze stapel stripboeken. Soms voelt het alsof mijn eigen huis niet meer van mij is.

‘Daan, kun je alsjeblieft je sokken opruimen?’ vraag ik voor de zoveelste keer terwijl ik zijn vuile was van de bank raap.

‘Ja, ja, straks,’ bromt hij zonder op te kijken van zijn laptop.

Ik slik mijn frustratie in. Mijn ouders zeggen altijd: ‘Je moet hem wat tijd geven, Sanne. Hij heeft het moeilijk gehad.’ Maar hoe lang moet ik nog wachten? Hoeveel tijd is genoeg?

Het begon allemaal zo onschuldig. Daan stond op een avond voor mijn deur met een vuilniszak vol kleren en een gezicht vol schaamte. ‘Sorry dat ik zo laat ben,’ mompelde hij. Ik gaf hem thee en luisterde naar zijn verhaal over de breuk met Maaike, zijn ontslag bij het café, zijn schulden bij vrienden. Ik voelde me weer even de grote zus die alles kon oplossen.

Maar naarmate de weken verstreken, veranderde er iets. Daan deed geen moeite om werk te zoeken. Hij sliep uit tot elf uur, hing op de bank met Netflix en bestelde pizza’s op mijn rekening. Als ik er iets van zei, kreeg ik een snauw terug: ‘Jij hebt makkelijk praten met je vaste baan en je perfecte leven.’

Op een dag kwam ik thuis na een lange werkdag en vond ik hem met vrienden in mijn woonkamer – biertjes op tafel, chips op het tapijt.

‘Daan! Dit kan echt niet!’ riep ik uit.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Doe niet zo moeilijk, Sanne. Je bent altijd zo streng.’

Die avond huilde ik in bed. Ik voelde me gevangen in mijn eigen huis. Mijn droom van rust en orde was veranderd in chaos en ruzie.

Mijn moeder probeerde te bemiddelen. ‘Hij heeft jou nodig nu, Sanne. Je weet hoe gevoelig hij is.’

‘Maar mam,’ zei ik zacht, ‘ik heb ook grenzen.’

Ze zuchtte aan de andere kant van de lijn. ‘Je vader zegt dat je niet zo egoïstisch moet zijn.’

Egoïstisch? Was het egoïstisch om mijn eigen leven terug te willen?

De maanden sleepten zich voort. Daan vond af en toe een baantje – vakkenvullen bij de Albert Heijn, bezorgen bij Thuisbezorgd – maar hield het nooit langer dan een paar weken vol. Hij klaagde over alles: het salaris, de collega’s, het vroege opstaan.

‘Misschien moet je gewoon accepteren dat het leven niet altijd leuk is,’ zei ik op een avond voorzichtig.

Hij keek me aan met vuur in zijn ogen. ‘Jij snapt er niks van! Jij hebt alles altijd voor elkaar gehad!’

Ik voelde me schuldig, maar ook boos. Was het mijn schuld dat ik probeerde iets van mijn leven te maken?

De spanning tussen ons werd steeds groter. We spraken nauwelijks nog met elkaar. Soms hoorde ik hem ’s nachts huilen op de bank, maar als ik vroeg of het ging, snauwde hij: ‘Laat me met rust.’

Op een dag kwam ik thuis en vond ik mijn favoriete vaas kapot op de grond. Daan zat ernaast met rode ogen.

‘Sorry,’ fluisterde hij. ‘Ik had ruzie met Maaike aan de telefoon.’

Ik knielde naast hem neer en legde mijn hand op zijn schouder. ‘Daan… dit kan zo niet langer.’

Hij keek me aan – voor het eerst echt – en ik zag hoe verloren hij was.

‘Ik weet het niet meer, Sanne,’ fluisterde hij. ‘Ik weet niet waar ik heen moet.’

Mijn hart brak voor hem, maar ook voor mezelf. Hoe kon ik hem helpen zonder mezelf te verliezen?

Die nacht lag ik wakker en dacht aan vroeger – aan hoe we samen hutten bouwden in de tuin, hoe hij altijd achter me aan liep en alles wilde doen wat ik deed. Waar was dat jongetje gebleven?

De volgende ochtend besloot ik dat er iets moest veranderen.

‘Daan,’ zei ik terwijl we samen aan tafel zaten met koffie, ‘ik hou van je en ik wil je helpen… maar dit kan niet langer zo.’

Hij keek weg.

‘Je moet echt gaan zoeken naar iets voor jezelf. Een kamer, een baan… iets.’

Hij knikte langzaam.

‘Ik weet het,’ zei hij zacht.

De weken daarna zag ik kleine veranderingen. Hij schreef zich in bij woningnet, solliciteerde bij verschillende winkels. Het ging langzaam – heel langzaam – maar er kwam beweging in.

Toch bleef het moeilijk. Elke keer als hij weer werd afgewezen voor een kamer of een baan, kwam hij thuis met hangende schouders en tranen in zijn ogen.

‘Waarom lukt het mij nooit?’ vroeg hij op een avond terwijl we samen op de bank zaten.

Ik wist het antwoord niet.

Soms voelde ik me schuldig om mijn irritatie – alsof ik geen recht had om boos te zijn omdat hij het zo zwaar had. Maar tegelijkertijd verlangde ik zó naar mijn eigen leven terug.

Na ruim dertien maanden vond Daan eindelijk een kamer in Amersfoort – klein, muf en duur, maar van hemzelf.

Op de dag van zijn verhuizing stond hij in de deuropening met zijn vuilniszakken.

‘Dankjewel, Sanne,’ zei hij zacht.

Ik knikte alleen maar; woorden schoten tekort.

Toen hij weg was, liep ik door mijn lege huis. Het voelde vreemd stil – maar ook als ademhalen na maanden onder water te hebben gezeten.

Nu zit ik hier aan mijn keukentafel en vraag me af: wanneer wordt helpen te veel? Waar trek je de grens tussen familie steunen en jezelf kwijtraken? Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?