Toen mijn moeder ziek werd: een verhaal over hoop, wanhoop en familie
‘Je liegt! Je liegt gewoon!’ schreeuwde mijn zusje Anne, haar stem trillend van woede en angst. Ik stond in de keuken, mijn handen om een kop thee geklemd die allang koud was geworden. Mijn vader stond roerloos bij het aanrecht, zijn gezicht bleek en zijn ogen dof. ‘Anne, luister nou…’ begon hij, maar ze stormde al naar boven, haar voetstappen galmden door het huis.
Ik voelde me leeg. Alsof iemand met één zin – “Mama is ziek, heel ziek” – de bodem onder mijn bestaan had weggeslagen. Mijn moeder, altijd zo sterk, zo zorgzaam, lag nu boven in bed. De diagnose was nog maar net gesteld: borstkanker, uitgezaaid. Ik kon het niet bevatten. Gisteren nog lachte ze met ons aan tafel, vandaag lag ze te slapen, uitgeput van de eerste chemo.
De dagen daarna verliepen in een waas van ziekenhuisbezoeken, gesprekken met artsen en eindeloze kopjes koffie die niemand opdronk. Mijn vader probeerde de schijn op te houden, maar ik zag hoe hij ’s avonds in de tuin stond te roken, zijn schouders gebogen. Anne sloot zich op in haar kamer, haar muziek stond zo hard dat je het beneden kon horen. En ik? Ik deed wat ik altijd deed: zorgen. Boodschappen doen, koken, wassen draaien. Maar ’s nachts lag ik wakker en vroeg ik me af hoe het verder moest.
‘Waarom wij?’ vroeg ik mezelf keer op keer. ‘Waarom nu?’
Op een avond zat ik aan het voeteneind van mama’s bed. Ze keek me aan met die zachte blik van haar, maar haar ogen waren dof van de pijnstillers. ‘Lieverd,’ fluisterde ze, ‘je hoeft niet alles alleen te dragen.’
‘Maar wie dan wel?’ barstte ik uit. ‘Papa kan het niet aan, Anne wil niet praten…’
Ze pakte mijn hand vast. Haar vingers waren koud en dun geworden. ‘Soms moet je leren loslaten,’ zei ze zacht. ‘En vertrouwen.’
Die nacht liep ik door de lege straten van ons dorp in Noord-Brabant. De lucht was zwaar van de regen en ergens blafte een hond. Ik voelde me klein en verloren. In de verte zag ik het licht van de kerk branden. Zonder erover na te denken liep ik erheen en ging op een bankje zitten. Ik had nooit veel met geloof gehad, maar nu fluisterde ik in het donker: ‘Als er iemand luistert… help ons alsjeblieft.’
De weken werden maanden. Mama’s haar viel uit, haar huid werd bleek en dun als papier. Soms was ze helder en grapte ze met ons zoals vroeger, maar steeds vaker sliep ze of was ze misselijk van de medicijnen. Anne kwam steeds minder thuis; ze logeerde bij vriendinnen of bleef na school hangen in de stad. Papa werkte overuren om de rekeningen te betalen – of misschien om maar niet thuis te hoeven zijn.
Op een dag kwam Anne onverwacht vroeg thuis. Ze gooide haar tas in de gang en liep zonder iets te zeggen naar boven. Even later hoorde ik haar huilen op mama’s kamer. Ik bleef beneden staan, niet wetend wat ik moest doen. Toen kwam papa binnen.
‘Hoe gaat het met haar?’ vroeg hij zacht.
‘Ik weet het niet,’ zei ik schouderophalend.
Hij zuchtte diep en keek me aan met rode ogen. ‘Weet jij het nog allemaal?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee.’
We stonden daar samen in de gang, twee volwassenen die zich kinderen voelden.
’s Avonds zaten we met z’n vieren aan tafel – voor het eerst in weken weer samen. Mama at bijna niets, maar ze glimlachte naar ons alsof alles normaal was.
‘Weet je nog,’ begon ze plotseling, ‘die keer dat we met z’n allen naar Zeeland gingen? Toen papa de tent vergat?’
Anne lachte door haar tranen heen. ‘En toen moesten we in de auto slapen!’
Papa grinnikte en kneep zachtjes in mama’s hand.
Het was een klein moment van licht in alle duisternis.
Toch werd alles steeds zwaarder. De artsen spraken over “palliatieve zorg”. Ik wist wat dat betekende, ook al wilde niemand het hardop zeggen: mama zou niet beter worden.
Op een avond zat ik weer alleen in de kerk. De stilte was zwaar en troostend tegelijk. Ik stak een kaarsje aan voor mama en fluisterde: ‘Geef me kracht.’
Thuis vond ik Anne op haar bed, starend naar het plafond.
‘Ben je boos op mij?’ vroeg ik voorzichtig.
Ze draaide zich om en haar ogen waren rood van het huilen.
‘Nee,’ snikte ze. ‘Ik ben gewoon bang.’
Ik ging naast haar zitten en sloeg mijn arm om haar heen.
‘Ik ook,’ zei ik zacht.
Vanaf dat moment probeerden we elkaar meer op te zoeken. We kookten samen voor mama, keken oude foto’s terug en praatten over vroeger – over hoe mama altijd alles wist op te lossen, hoe ze ons troostte na een slechte dag op school.
Op een koude ochtend in november werd ik wakker van papa’s stem aan mijn deur.
‘Ze is weg,’ fluisterde hij.
De wereld stond stil.
De dagen daarna waren een waas van bloemen, kaarten en mensen die kwamen condoleren. Iedereen zei hetzelfde: ‘Gecondoleerd’, ‘Wat erg’, ‘Ze was zo’n lieve vrouw’. Maar niemand kon zeggen wat wij voelden: het rauwe gat dat ze achterliet.
Na de begrafenis zat ik alleen op mama’s bed, haar sjaal in mijn handen geklemd. Anne kwam naast me zitten en legde haar hoofd op mijn schouder.
‘Wat nu?’ vroeg ze zacht.
Ik wist het niet.
Langzaam probeerden we ons leven weer op te pakken. Papa leerde koken – met wisselend succes – en Anne ging weer naar school. Ik vond steun bij vrienden en soms nog steeds in de kerk, waar ik kaarsjes brandde voor mama.
Soms voel ik haar nog dichtbij – als de zon door het raam valt of als ik haar favoriete liedje hoor op de radio.
En soms vraag ik me af: hoe vind je weer licht als alles donker lijkt? Hoe houd je hoop vast als je alles kwijt bent?
Misschien hebben jullie ook zoiets meegemaakt… Hoe gingen jullie om met verlies? Wat gaf jullie kracht?