Na Mijn Zestigste: Tien Dingen Die Ik Opgaf — En De Spijt Die Bleef
‘Waarom bel je nooit meer, mam?’ De stem van mijn dochter Eva kraakt door de telefoon. Ik staar naar het vergeelde behang in mijn woonkamer in Amersfoort en voel hoe haar woorden als een koude wind door mijn borst trekken. ‘Je weet dat ik het druk heb, lieverd,’ zeg ik, maar zelfs ik hoor de leegte in mijn stem.
Het is nu drie jaar geleden dat ik zestig werd. Zestig. Een leeftijd waarop je geacht wordt wijs te zijn, tevreden met wat je hebt opgebouwd. Maar op die dag, terwijl de familie taart at in de tuin en de kleinkinderen krijttekeningen maakten op de stoep, voelde ik alleen maar een diep verlangen naar stilte. Naar ruimte. Naar mezelf. Dus begon ik met opruimen. Niet alleen mijn huis – ook mijn leven.
De eerste dingen die ik opgaf waren simpel: mijn vrijwilligerswerk bij het buurthuis, mijn lidmaatschap van de boekenclub. ‘Je hebt het verdiend om te rusten,’ zei mijn man Jan toen ik hem vertelde dat ik ermee stopte. Maar zijn ogen weken uit naar het raam, alsof hij niet zeker wist of hij het meende.
Daarna volgden de grotere dingen. Mijn vriendschap met Marijke, die altijd haar eigen verdriet over mij uitstortte maar nooit vroeg hoe het met mij ging. Mijn wekelijkse bezoekjes aan mijn zus Anja in Utrecht – altijd dezelfde discussies over vroeger, altijd dezelfde verwijten over wie er meer voor moeder had gezorgd toen ze ziek was.
‘Je laat alles vallen,’ zei Anja op een dag, haar stem scherp als een mes. ‘Alsof wij niet meer belangrijk zijn.’
Ik haalde mijn schouders op en zei niets. Maar die nacht lag ik wakker, luisterend naar het zachte gesnurk van Jan naast me, en vroeg me af of ze gelijk had.
Toen kwam het moment dat ik besloot mijn baan als administratief medewerker bij de gemeente op te zeggen. ‘Je bent gek,’ zei Jan. ‘Wat ga je dan doen?’
‘Leven,’ antwoordde ik. Maar wat dat betekende wist ik niet.
De dagen werden stiller. Ik wandelde door het park, keek naar de eenden in de vijver, dronk koffie op het balkon. Soms voelde het als vrijheid. Vaker voelde het als leegte.
Mijn kinderen kwamen minder vaak langs. Eva druk met haar werk in Amsterdam, Tom met zijn gezin in Groningen. ‘We komen snel weer, mam,’ appte Eva. Maar snel werd weken, weken werden maanden.
Ik gaf mijn tuin op – het onkruid won terrein, de rozen verwilderden. Ik verkocht onze caravan, waar Jan en ik vroeger zomers mee naar Zeeland trokken. ‘We zijn te oud voor dat gedoe,’ zei ik tegen hem, maar hij keek me aan met een blik die ik niet kon plaatsen.
Op een avond zat ik tegenover Jan aan tafel. De stilte tussen ons was dikker dan de erwtensoep in onze kommen.
‘Mis je het niet?’ vroeg hij plotseling.
‘Wat?’
‘Alles wat je hebt opgegeven.’
Ik slikte. ‘Soms.’
Hij knikte langzaam en keek weg.
De maanden gleden voorbij. Mijn wereld werd kleiner, overzichtelijker – maar ook grauwer. Op een dag vond ik een oude foto van ons gezin op Vlieland: Eva met zand in haar haar, Tom lachend met een ijsje, Jan en ik hand in hand. Ik voelde iets breken in mijn borst.
Ik probeerde Eva te bellen, maar ze nam niet op. Tom stuurde een appje: ‘Druk met de kinderen, mam. Later!’
Ik gaf mijn hoop op dat alles weer zou worden zoals vroeger.
Op een regenachtige zondag stond Marijke ineens voor de deur. ‘Waarom hoor ik niks meer van je?’ vroeg ze zonder omwegen.
‘Ik dacht dat jij mij niet nodig had,’ zei ik zacht.
Ze lachte bitter. ‘We hebben elkaar altijd nodig gehad.’
We dronken koffie aan de keukentafel en spraken over vroeger – over onze moeders die samen breiden op woensdagmiddag, over onze eerste liefdes, over hoe snel alles verandert.
Toen ze vertrok bleef haar geur van Chanel No. 5 nog lang hangen in huis.
Die nacht droomde ik van mijn moeder. Ze zat aan het einde van mijn bed en zei: ‘Het leven is geven en nemen, meisje. Maar als je alleen maar opgeeft, wat blijft er dan over?’
Ik werd huilend wakker.
De volgende dag belde ik Anja. Ze nam op na drie keer overgaan.
‘Anja? Het spijt me,’ fluisterde ik.
Er viel een lange stilte aan de andere kant van de lijn.
‘Kom langs,’ zei ze uiteindelijk.
We zaten uren samen in haar kleine woonkamer vol planten en oude foto’s. We huilden om moeder, om verloren tijd, om alles wat we hadden laten liggen uit koppigheid of trots.
Langzaam probeerde ik dingen terug te pakken die ik had opgegeven: een middagje helpen in het buurthuis; een wandeling met Marijke; een kaartje sturen naar Eva zonder iets terug te verwachten.
Maar sommige dingen kwamen niet meer terug. De caravan was verkocht aan een jong stel uit Zwolle dat nu hun eigen herinneringen maakt aan zee. Mijn tuin bleef verwilderd – mijn knieën deden te veel pijn om nog te wieden.
Jan werd stiller met de dag. Op een avond zei hij: ‘Ik weet niet of we elkaar nog kunnen vinden.’
Ik keek hem aan en voelde tranen prikken achter mijn ogen. ‘Wil je het proberen?’ vroeg ik zacht.
Hij knikte en pakte mijn hand vast – voor het eerst in maanden.
Nu ben ik drieënzestig. Mijn wereld is kleiner dan ooit, maar soms – als de zon door het raam valt en Jan zachtjes neuriet in de keuken – voel ik een sprankje hoop dat niet alles verloren is.
Toch blijft er spijt hangen als mist boven het IJsselmeer op een vroege ochtend: spijt om wat ik heb opgegeven zonder te vechten; spijt om momenten die nooit meer terugkomen; spijt om woorden die ongezegd bleven.
Was het nodig om zoveel los te laten om mezelf terug te vinden? Of heb ik onderweg juist delen van mezelf verloren die nooit meer terugkomen?
Wat zouden jullie hebben gedaan? Waar ligt voor jullie de grens tussen loslaten en vasthouden?