Alleen met mijn kind: de keuze tussen liefde en zelfrespect

‘Wil je nou echt niet met me trouwen, Kamil?’, fluisterde ik, mijn stem trillend terwijl ik mijn handen beschermend over mijn buik legde. Het was een regenachtige avond in Utrecht, de druppels tikten onophoudelijk tegen het raam van het kleine appartement dat we samen huurden. Kamil keek me niet aan. Hij staarde naar zijn telefoon, alsof daar het antwoord stond dat hij mij niet wilde geven.

‘Het is gewoon… niet het juiste moment, Sanne,’ mompelde hij uiteindelijk. ‘Mijn moeder vindt ook dat we beter kunnen wachten.’

Die woorden sneden dieper dan ik had verwacht. Alsof ik een project was dat uitgesteld kon worden, geen mens van vlees en bloed met gevoelens en dromen. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ik was vijf maanden zwanger van ons eerste kind en alles wat ik wilde was zekerheid, een gezin, een toekomst samen. Maar Kamil leek steeds verder van me af te drijven.

De dagen daarna voelde ik me als een schim in mijn eigen leven. Kamil kwam laat thuis, at nauwelijks iets en verdween dan weer naar zijn kamer om te gamen of te bellen met zijn moeder, mevrouw De Vries. Zij had altijd al haar twijfels over mij gehad – ‘Sanne is zo gevoelig, Kamil, weet je zeker dat ze bij je past?’ hoorde ik haar ooit fluisteren toen ze dacht dat ik het niet hoorde.

Op een avond, toen Kamil weer afwezig was, belde zijn vader onverwacht aan. Meneer De Vries was altijd vriendelijk tegen mij geweest, anders dan zijn vrouw. Hij kwam binnen met een zakje stroopwafels en een bezorgde blik.

‘Hoe gaat het met je, Sanne?’ vroeg hij zachtjes terwijl hij tegenover me aan de keukentafel ging zitten.

Ik barstte in tranen uit. ‘Ik weet het niet meer. Ik voel me zo alleen. Kamil wil niet trouwen en zijn moeder steunt hem daarin. Wat moet ik doen?’

Hij pakte mijn hand vast. ‘Je verdient beter dan dit getwijfel. Je bent sterk, Sanne. Maar je moet jezelf afvragen: wil je vechten voor iemand die niet voor jou wil vechten?’

Die nacht lag ik wakker in bed, luisterend naar Kamils rustige ademhaling naast me. Mijn gedachten tolden. Was ik te veeleisend? Was het verkeerd om zekerheid te willen voor mijn kind? Of was het juist laf van Kamil om weg te lopen voor zijn verantwoordelijkheid?

De weken verstreken en de sfeer werd steeds ijziger. Kamils moeder kwam vaker langs, bracht maaltijden mee en keek me met haar kille blauwe ogen aan alsof ik een indringer was in haar gezin. ‘Je moet begrijpen dat Kamil nog jong is,’ zei ze op een dag terwijl ze de tafel afruimde. ‘Een huwelijk is een grote stap.’

‘Ik ben ook jong,’ antwoordde ik zachtjes. ‘Maar ik ben straks wel moeder.’

Ze snoof minachtend. ‘Dat heb je zelf gekozen.’

Op dat moment voelde ik iets breken in mij. Ik wist dat ik niet langer kon wachten tot Kamil of zijn moeder hun goedkeuring gaven aan mijn leven. Ik moest zelf kiezen – voor mezelf en voor mijn kind.

Op een zaterdagochtend pakte ik mijn koffers. Kamil zat op de bank en keek verbaasd op toen hij me zag.

‘Wat doe je?’

‘Ik ga weg,’ zei ik, mijn stem vastberaden ondanks de tranen die over mijn wangen stroomden. ‘Ik kan dit niet meer. Ik wil niet dat ons kind opgroeit in onzekerheid en twijfel.’

Hij stond op, maar bleef op afstand staan. ‘Sanne…’

‘Nee, Kamil,’ onderbrak ik hem. ‘Ik heb je alles gegeven wat ik kon geven. Maar jij kiest steeds weer voor je moeder, voor je eigen gemak. Ik kies nu voor mezelf.’

Ik verhuisde naar mijn ouders in Amersfoort. De eerste weken waren zwaar – elke ochtend werd ik wakker met een steen op mijn maag van verdriet en angst voor de toekomst. Mijn moeder probeerde me te troosten, maar soms kon zelfs haar warmte het gat in mijn hart niet vullen.

Toch begon er langzaam iets te veranderen. Mijn vader nam me mee naar de markt op zaterdag, waar hij trots vertelde aan iedereen die het wilde horen dat hij opa zou worden. Mijn broer Jasper kwam langs met zijn vriendin en bracht babykleertjes mee.

Langzaam voelde ik weer kracht terugkomen in mijn lijf.

Kamil belde soms – eerst boos (‘Hoe kun je zomaar weggaan?’), daarna verdrietig (‘Ik mis je…’), maar uiteindelijk steeds stiller. Zijn vader stuurde af en toe een appje: ‘Denk aan jezelf, Sanne.’

De bevalling kwam sneller dan verwacht – midden in de nacht, tijdens een storm die de bomen deed kraken rond het huis van mijn ouders. Mijn moeder hield mijn hand vast terwijl ik schreeuwde van de pijn en de angst.

Toen ik eindelijk mijn dochter in mijn armen hield – kleine Noor, met haar donkere haartjes en haar felle blik – wist ik dat alles wat ik had doorstaan ergens goed voor was geweest.

Kamil kwam op kraambezoek, samen met zijn vader. Zijn moeder bleef thuis.

Hij keek naar Noor en toen naar mij, zijn ogen vol spijt.

‘Het spijt me, Sanne,’ fluisterde hij. ‘Ik was bang.’

Ik knikte alleen maar. Misschien zou hij ooit veranderen, misschien ook niet. Maar Noor had nu een moeder die voor haar zou vechten – altijd.

Soms vraag ik me nog af: had ik harder moeten vechten voor onze liefde? Of is het juist krachtig om los te laten als iemand niet voor jou kiest? Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?