Wanneer je dochter je vergeet: Een moederhart in stilte gebroken
‘Mam, kun je me even tikkie sturen voor de boodschappen? Ik heb het echt nodig, hoor.’
De woorden van mijn dochter, Sophie, galmen na in mijn hoofd terwijl ik naar het scherm van mijn telefoon staar. Mijn vingers trillen lichtjes als ik haar bericht lees. Het is alweer drie weken geleden dat we elkaar zagen, en zelfs toen was het vluchtig – een snelle knuffel in de gang, haar jas al half aan, haar blik op haar telefoon gericht. Ik weet dat ze druk is met haar studie psychologie aan de Universiteit van Amsterdam, haar bijbaan in het café aan de Prinsengracht, haar vrienden. Maar toch…
‘Natuurlijk, lieverd,’ typ ik terug. ‘Laat maar weten hoeveel.’
Ik wacht op een antwoord, maar het blijft stil. Zoals altijd. Mijn hart krimpt ineen. Vroeger was het anders. Vroeger was Sophie mijn alles – mijn kleine meisje dat met haar handje in de mijne liep over de markt in Haarlem, samen kibbelend over welke bloemen we zouden kopen. Ze vertelde me alles: over haar eerste verliefdheid op Bas uit haar klas, over haar ruzies met vriendinnen, over haar dromen om ooit psycholoog te worden. Nu lijkt het alsof ik alleen nog besta als ze iets nodig heeft.
Mijn man, Erik, komt binnen met twee kopjes thee. ‘Weer een berichtje van Sophie?’ vraagt hij voorzichtig. Hij kent mijn pijn, maar weet niet hoe hij me kan helpen.
‘Ze heeft geld nodig,’ zeg ik zacht. ‘Dat is alles.’
Erik zucht en zet de thee neer. ‘Misschien moeten we haar wat meer loslaten. Ze is volwassen nu.’
‘Maar waarom belt ze nooit gewoon om te vragen hoe het met ons gaat? Waarom voel ik me alleen nog maar nuttig als ik geld geef?’ Mijn stem breekt.
Erik legt zijn hand op de mijne. ‘Misschien is dit gewoon een fase. Ze komt wel terug.’
Maar diep vanbinnen weet ik dat het niet zo simpel is. Ik voel me leeg, alsof er een gat in mijn borst zit dat niet meer gevuld kan worden.
Die avond lig ik wakker in bed. De regen tikt tegen het raam en ik hoor het zachte gesnurk van Erik naast me. Mijn gedachten dwalen af naar vroeger. Naar de tijd dat Sophie als klein meisje bij me in bed kroop na een nachtmerrie, haar warme lijfje tegen me aan gedrukt. ‘Mama, ga nooit weg,’ fluisterde ze dan.
Nu ben ik degene die achterblijft.
De volgende dag besluit ik Sophie te bellen. Mijn hart bonkt in mijn keel terwijl ik wacht tot ze opneemt.
‘Ja?’ Haar stem klinkt gehaast.
‘Hoi lieverd, hoe gaat het met je?’ probeer ik luchtig te klinken.
‘Goed hoor mam, druk. Ik moet zo weer weg. Is er iets?’
‘Nee… Ik wilde gewoon even je stem horen.’
Een korte stilte aan de andere kant van de lijn.
‘Ik moet echt gaan mam. Spreek je later!’
En weg is ze weer.
Ik staar naar de lege woonkamer. De foto’s aan de muur – Sophie als peuter op het strand van Zandvoort, Sophie met haar diploma in haar hand – lijken me uit te lachen. Wat heb ik verkeerd gedaan? Heb ik haar te veel verwend? Te veel gegeven? Of juist te weinig?
Op zondag probeer ik het opnieuw. Ik bak haar favoriete appeltaart en stuur haar een foto via WhatsApp: ‘Kom je langs voor een stukje?’
Ze leest het bericht meteen – ik zie de blauwe vinkjes – maar antwoordt niet.
Ik wacht uren. De taart koelt af op het aanrecht, Erik probeert me op te vrolijken met een wandeling door het park, maar mijn gedachten blijven bij Sophie.
’s Avonds krijg ik eindelijk een berichtje: ‘Sorry mam, druk met studeren. Volgende keer!’
Ik voel tranen prikken achter mijn ogen. Hoe vaak heb ik dat al gehoord? Volgende keer… Maar die volgende keer komt nooit.
Op een dag belt mijn zus Marieke. ‘Je moet haar laten merken dat je haar mist,’ zegt ze streng. ‘Niet alleen maar geven wat ze vraagt.’
‘Maar wat als ze dan helemaal wegblijft?’ fluister ik.
‘Dan weet je in elk geval waar je staat.’
Die nacht neem ik een besluit. De volgende keer dat Sophie om geld vraagt, zal ik nee zeggen.
Het duurt niet lang voordat ze weer appt: ‘Mam, kun je me 50 euro lenen? Ik betaal je snel terug!’
Mijn vingers zweven boven het toetsenbord. Mijn hart bonkt in mijn keel.
‘Sorry lieverd,’ typ ik uiteindelijk. ‘Dit keer kan ik niet helpen.’
Het blijft lang stil. Dan komt er een kort antwoord: ‘Oké.’
De dagen daarna hoor ik niets van haar. Geen appjes, geen telefoontjes. Ik voel me schuldig en opgelucht tegelijk – eindelijk heb ik mijn grens aangegeven, maar wat als ze nu helemaal verdwijnt?
Op vrijdagavond gaat plotseling de bel. Als ik open doe, staat Sophie voor de deur. Haar ogen zijn rood van het huilen.
‘Mag ik binnenkomen?’ fluistert ze.
Zonder iets te zeggen trek ik haar in mijn armen. Ze snikt tegen mijn schouder.
‘Het spijt me mam,’ huilt ze. ‘Ik weet niet waarom ik zo doe… Alles is zo moeilijk soms. Studeren, werken, vrienden… Ik voel me zo alleen.’
Mijn hart breekt opnieuw – dit keer niet uit pijn om mezelf, maar om haar.
We zitten uren aan de keukentafel, praten over alles wat er speelt in haar leven: de druk om te presteren op de universiteit, de angst om te falen, het gevoel dat iedereen iets van haar verwacht.
‘Ik dacht dat jij altijd sterk was,’ zegt ze zacht. ‘Dat jij alles aankon.’
‘Dat dacht ik ook,’ fluister ik terug.
Vanaf die avond verandert er iets tussen ons. We spreken vaker af – niet alleen als zij iets nodig heeft, maar ook gewoon om samen te zijn. Soms praten we urenlang, soms zitten we alleen maar samen op de bank en kijken we naar de regen buiten.
Toch blijft er iets knagen. De angst dat het weer misgaat, dat ze weer afstand neemt als het leven drukker wordt.
Soms vraag ik me af: hebben we elkaar echt gevonden? Of zijn we nog steeds twee mensen die elkaar zoeken in het donker?
Wat denken jullie: kun je ooit echt herstellen wat gebroken is tussen ouder en kind? Of blijft er altijd een barst zichtbaar?