Twee Vriendinnen, Eén Huis: Wat Kan Er Misgaan?
‘Dus jij denkt echt dat dit een goed idee is?’ Els kijkt me aan over haar leesbril, haar stem trilt net iets te veel. De regen tikt tegen het raam van mijn kleine appartement in Amersfoort. Mijn hart bonkt in mijn keel. ‘Wat moeten we anders, Els? We zijn allebei alleen, de kinderen zijn hun eigen leven begonnen. Waarom zouden we niet samen een huis huren en kamers verhuren? Het is nu of nooit.’
Ze zucht diep. ‘Ik weet het niet, Marijke. Jij bent altijd zo optimistisch. Maar ik… ik ben bang dat het misgaat. Dat we ruzie krijgen. Of dat het financieel tegenvalt.’
‘We hebben elkaar toch?’ zeg ik zacht. ‘We zijn al veertig jaar vriendinnen. Wat kan er nou misgaan?’
Achteraf gezien was dat misschien het moment waarop ik had moeten luisteren naar haar twijfel. Maar ik was vastbesloten. Ik wilde niet nog een winter alleen doorbrengen, starend naar de lege stoel tegenover me.
Binnen drie maanden hadden we een charmant oud herenhuis gevonden in een rustige straat in Utrecht. Drie verdiepingen, hoge plafonds, glas-in-loodramen. De makelaar keek ons wat meewarig aan toen we vertelden dat we kamers wilden verhuren aan studenten en jonge werkenden. ‘Het is een populaire buurt,’ zei hij, ‘maar u weet dat het ook veel gedoe kan geven?’
‘Wij zijn niet bang voor een beetje gedoe,’ lachte Els toen nog. Ze had haar oude zelf weer teruggevonden, dacht ik. We schilderden samen de muren, sleepten meubels naar binnen, maakten plannen voor een gezamenlijke tuin.
De eerste huurder was een jonge vrouw, Sanne, die rechten studeerde. Ze was vriendelijk, netjes en betaalde altijd op tijd. Daarna kwam Bart, een IT’er van 28 die vooral op zijn kamer zat te gamen. De derde kamer bleef lang leeg tot we eindelijk een stel vonden: Jeroen en Lisa, begin dertig, net uit elkaar maar nog samenwonend ‘voor de gezelligheid’.
De eerste maanden gingen goed. Els en ik dronken ’s avonds wijn in de tuin, lachten om de verhalen van onze huurders en voelden ons jonger dan ooit. Maar langzaam sloop er iets tussen ons in.
‘Marijke, jij bent veel te soft voor die huurders,’ zei Els op een avond terwijl ze de afwas deed. ‘Jeroen heeft alweer zijn huur te laat betaald en jij zegt er niks van.’
‘Hij heeft het moeilijk,’ zei ik zacht. ‘Zijn moeder is ziek.’
‘Dat is niet ons probleem! We hebben afspraken gemaakt.’
Ik voelde de oude irritatie opborrelen die ik al kende uit onze vakanties vroeger: Els die altijd alles volgens de regels wilde doen, ik die liever de harmonie bewaarde.
Het werd erger toen mijn dochter Anne onverwacht terugkwam uit Australië en tijdelijk bij ons introk. Ze was haar baan kwijtgeraakt en haar relatie was op de klippen gelopen. Ik kon haar toch niet weigeren?
Els vond van wel.
‘Dit was niet de afspraak,’ zei ze fel toen Anne haar koffers in de gang zette. ‘We verhuren kamers aan vreemden, niet aan familie! Straks willen jouw kleinkinderen hier ook logeren?’
‘Doe niet zo overdreven,’ snauwde ik terug. ‘Het is mijn dochter!’
‘En dit is óns huis!’
Die avond sliep ik nauwelijks. Anne huilde zachtjes op haar kamer en ik voelde me verscheurd tussen mijn dochter en mijn vriendin.
De sfeer werd grimmiger. Bart klaagde over geluidsoverlast van Anne’s telefoongesprekken met Australië midden in de nacht. Sanne vond dat er te weinig privacy was nu er zoveel mensen in huis woonden. Jeroen en Lisa maakten steeds vaker ruzie in de keuken.
Op een avond barstte de bom.
‘Dit werkt zo niet langer!’ riep Els terwijl ze met haar vuist op tafel sloeg. ‘Iedereen doet maar wat! Niemand houdt zich aan de afspraken! En jij… jij laat alles maar gebeuren!’
Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen. ‘Ik doe mijn best, Els! Maar het leven loopt soms anders dan je plant.’
‘Misschien moeten we ermee stoppen,’ zei ze plotseling zacht.
Het was alsof iemand de grond onder mijn voeten vandaan trok.
De weken daarna leefden we langs elkaar heen. Anne vond gelukkig snel een studio en vertrok weer. Bart verhuisde naar zijn vriendin, Sanne vond een kamer dichter bij de universiteit en zelfs Jeroen en Lisa waren ineens weg.
Het huis voelde leeg en koud aan. De stilte was oorverdovend.
Op een regenachtige zondagmiddag zat ik alleen aan de keukentafel toen Els binnenkwam met rode ogen.
‘Sorry,’ fluisterde ze. ‘Ik ben bang om je kwijt te raken.’
Ik pakte haar hand vast. ‘Misschien waren we te ambitieus. Misschien zijn sommige dromen gewoon niet bedoeld om uit te komen.’
We besloten het huis op te zeggen en ieder weer ons eigen plekje te zoeken. Maar onze vriendschap hield stand – sterker dan ooit misschien, omdat we samen door deze storm waren gegaan.
Soms denk ik terug aan die maanden vol chaos en hoop ik dat ik het juiste heb gedaan. Was het naïef om te denken dat je op je 63e nog opnieuw kunt beginnen? Of is het juist moedig om het te proberen?
Wat denken jullie: moet je altijd blijven dromen, of is het soms beter om tevreden te zijn met wat je hebt?