Onder Eén Dak: Wanneer Ouderschap een Last Wordt – Mijn Verhaal
‘Waarom huil je alweer, Daan? Wat wil je nou?’ Mijn stem trilt van vermoeidheid en frustratie terwijl ik met mijn rug tegen de koude muur van de babykamer leun. Het is half vier ’s nachts. Jeroen ligt beneden op de bank, zogenaamd ‘even rust pakken’. Ik weet dat hij gewoon niet meer tegen het gehuil kan.
Ik kijk naar het kleine hoopje in het ledikantje. Zijn gezichtje rood, vuistjes gebald. Ik voel me schuldig omdat ik geïrriteerd ben, maar ik kan niet meer. ‘Stil maar, kleintje,’ fluister ik, terwijl ik hem oppak en zachtjes wieg. Mijn hoofd bonkt. Mijn ogen prikken van de tranen die ik probeer binnen te houden.
‘Marloes, kun je hem niet gewoon even laten huilen? Je verwent hem zo,’ roept Jeroen van beneden. Zijn stem klinkt hard door het trappenhuis. Ik bijt op mijn lip. ‘Jeroen, hij is pas drie weken oud! Hij heeft ons nodig!’ roep ik terug, maar ik weet dat het geen zin heeft. We praten al weken langs elkaar heen.
Toen ik vorig jaar zwanger raakte, was het niet gepland. We hadden net een huis gekocht in Utrecht-Oost, allebei drukke banen – ik als verpleegkundige in het UMC, Jeroen als consultant bij een groot IT-bedrijf. We waren gelukkig, dachten we. Maar toen de test positief was, voelde ik vooral paniek. Jeroen lachte het weg: ‘Komt goed, joh! We fixen dit samen.’
Maar nu, drie weken na de bevalling, voelt niets meer samen. Alles is zwaar. De dagen zijn een waas van voedingen, luiers en eindeloze vermoeidheid. Jeroen werkt thuis, maar sluit zich op in zijn werkkamer. Ik voel me alleen in een huis vol geluid.
Mijn moeder belt elke dag. ‘Hoe gaat het met je meisje?’ vraagt ze dan. Ik lieg: ‘Goed hoor, mam. Daan groeit als kool.’ Maar als ik ophang, barst ik in huilen uit.
Op een druilerige dinsdagmiddag barst de bom. Jeroen komt de woonkamer binnen terwijl ik Daan probeer te voeden. ‘Kun je hem niet even stil krijgen? Ik heb een belangrijke call!’ snauwt hij. Ik kijk hem aan, voel iets in mij breken. ‘Misschien moet jij eens proberen hoe het is om de hele dag alleen te zijn met een baby die nooit slaapt!’ gil ik terug.
Daan schrikt en begint harder te huilen. Jeroen gooit zijn handen in de lucht en loopt weg. De stilte die volgt is oorverdovend.
’s Avonds zitten we zwijgend aan tafel. De pasta is koud geworden terwijl we allebei naar onze telefoons staren. ‘Dit werkt zo niet,’ fluister ik uiteindelijk. Jeroen kijkt op, zijn ogen moe. ‘Ik weet het ook niet meer, Marloes.’
De dagen erna worden we vreemden in ons eigen huis. We praten alleen over praktische dingen: luiers, boodschappen, afspraken bij het consultatiebureau. De liefde lijkt verdwenen onder een dikke laag stof van slaapgebrek en irritatie.
Op een avond, als Daan eindelijk slaapt, pak ik mijn telefoon en zoek op ‘postnatale depressie’. De symptomen lijken allemaal op mij te slaan: somberheid, huilbuien, nergens zin in hebben. Maar ik durf niemand te vertellen hoe slecht het echt gaat.
Mijn vriendin Sanne appt: ‘Zullen we koffie doen?’ Ik typ: ‘Sorry, geen tijd.’ Maar eigenlijk schaam ik me voor mijn wallen en mijn verdriet.
Op een zondagmiddag komt mijn moeder langs met appeltaart. Ze ziet meteen dat er iets mis is. ‘Meid, je hoeft dit niet alleen te doen,’ zegt ze zachtjes terwijl ze mijn hand pakt. Ik breek en vertel alles: hoe moe ik ben, hoe alleen ik me voel, hoe bang ik ben dat Jeroen en ik elkaar kwijt zijn.
Ze knikt begripvol. ‘Weet je nog hoe papa en ik soms ruzie maakten toen jij klein was? Het hoort erbij, maar je moet wel blijven praten.’
Die avond besluit ik met Jeroen te praten. Hij zit op de bank met zijn laptop op schoot. ‘Kunnen we even praten?’ vraag ik voorzichtig.
Hij klapt zijn laptop dicht en kijkt me aan. Voor het eerst in weken zie ik tranen in zijn ogen. ‘Ik weet niet meer hoe dit moet,’ zegt hij zachtjes.
We praten urenlang – over onze angsten, onze verwachtingen die niet uitkwamen, over hoe we allebei het gevoel hebben te falen als ouder én als partner.
‘Misschien moeten we hulp zoeken,’ stel ik voor. Jeroen knikt opgelucht.
We maken een afspraak bij de huisarts en worden doorverwezen naar een praktijkondersteuner. Het voelt als falen om toe te geven dat we het niet alleen kunnen, maar tegelijkertijd ook als een opluchting.
Langzaam verandert er iets in huis. Mijn moeder komt vaker oppassen zodat wij samen kunnen wandelen of gewoon even kunnen slapen. Jeroen neemt vaker Daan over na zijn werk en probeert minder overuren te maken.
We leren opnieuw praten – niet alleen over Daan, maar ook over onszelf. Over wat we missen uit ons oude leven en wat we hopen voor de toekomst.
Op een avond zitten we samen op het balkon met een glas wijn terwijl Daan eindelijk slaapt. De stad ruist zachtjes onder ons raam.
‘Denk je dat we hier sterker uitkomen?’ vraagt Jeroen.
Ik kijk naar hem en glimlach voorzichtig. ‘Ik weet het niet,’ zeg ik eerlijk. ‘Maar misschien hoeft het niet altijd perfect te zijn.’
Soms voel ik me nog steeds onzeker en bang dat alles weer misgaat. Maar nu weet ik dat kwetsbaarheid geen zwakte is – het is juist de moed om opnieuw te beginnen.
Hebben jullie ooit zo’n periode meegemaakt waarin alles teveel werd? Hoe vonden jullie weer verbinding met elkaar? Misschien is delen wel de eerste stap naar heling.