Tussen twee vuren: Wanneer mijn man zijn moeder niet kan vertellen dat we geen kinderen kunnen krijgen
‘Lotte, wanneer mogen we nou eindelijk eens beschuit met muisjes komen eten?’ De stem van mijn schoonmoeder, Ria, snijdt als een mes door de woonkamer. Haar ogen priemen in de mijne, terwijl ze haar kopje thee neerzet op het Perzische kleed dat ze zelf ooit uit Turkije heeft meegenomen. Daan, mijn man, kijkt snel weg en friemelt aan zijn trouwring. Ik voel mijn wangen gloeien. Het is alsof de muren dichterbij komen, alsof de lucht in onze kleine rijtjeswoning in Amersfoort steeds dikker wordt.
‘Mam, we hebben het druk met werk,’ probeert Daan zachtjes. Zijn stem trilt. Ria lacht schamper. ‘Druk? Jullie zijn al zes jaar getrouwd! Je vader en ik hadden jou én je zusje al toen we zo oud waren als jullie.’
Ik slik. Mijn handen trillen onder de tafel. Ik wil schreeuwen, huilen, iets kapotgooien. Maar ik glimlach flauwtjes en neem een slok thee die inmiddels koud is geworden. Daan kijkt me aan, zijn blik vol spijt en onmacht. Ik weet dat hij het wil zeggen, dat hij wil vertellen over de lege kamers in ons huis, over de ziekenhuisbezoeken, over de hoop die telkens weer wordt verpletterd door een telefoontje van de fertiliteitskliniek. Maar hij zwijgt. Altijd.
Na het eten help ik Ria met de afwas. Ze kijkt me aan, haar ogen zachter nu. ‘Lotte, lieverd… je weet dat je altijd met me kunt praten, hè?’ Ik knik, maar mijn keel zit dicht. Wat moet ik zeggen? Dat haar zoon en ik elke maand hopen op een wonder? Dat ik me elke keer minder vrouw voel als het weer niet gelukt is? Dat ik soms bang ben dat Daan bij me weggaat omdat ik hem geen kinderen kan geven?
Die avond zitten Daan en ik zwijgend op de bank. De televisie staat aan, maar geen van ons kijkt echt. ‘Het spijt me,’ fluistert hij uiteindelijk. ‘Ik kan het haar gewoon niet vertellen.’
‘Waarom niet?’ Mijn stem klinkt schor. ‘Waarom moet ik dit steeds alleen dragen?’
Hij draait zich naar me toe, zijn ogen vochtig. ‘Ze is zo trots op mij… op ons. Ik wil haar niet teleurstellen.’
‘En ik dan?’ Mijn stem breekt. ‘Ben ik dan niet belangrijk?’
Hij zegt niets meer. Ik sta op en loop naar boven, naar onze slaapkamer waar de muren vol hangen met foto’s van vakanties, bruiloften, lachende gezichten – maar nooit kinderen.
De dagen daarna voel ik me leeg. Op mijn werk bij de bibliotheek probeer ik me te concentreren op het sorteren van boeken, maar mijn gedachten dwalen steeds af naar Daan en Ria. Mijn collega Marieke merkt het op.
‘Gaat het wel goed met je?’ vraagt ze voorzichtig.
Ik knik weer, automatisch. Maar als ze haar hand op mijn arm legt, breek ik. Tranen stromen over mijn wangen terwijl ik haar vertel over alles: de vruchtbaarheidsbehandelingen, de teleurstellingen, de druk van Ria.
‘Je hoeft dit niet alleen te doen,’ zegt Marieke zacht. ‘Misschien moet je gewoon eerlijk zijn tegen haar. Of tegen jezelf.’
Die avond wacht ik tot Daan thuiskomt van zijn werk bij de gemeente. Hij ziet meteen dat er iets is.
‘We moeten praten,’ zeg ik voordat hij zijn jas uit heeft.
We zitten aan de keukentafel, dezelfde tafel waar we ooit droomden over een groot gezin. Ik vertel hem wat Marieke zei, hoe zwaar het voor me is om steeds te doen alsof er niets aan de hand is.
‘Ik kan niet meer,’ zeg ik uiteindelijk. ‘Ik wil niet meer leven in deze leugen.’
Daan pakt mijn hand vast. ‘Misschien… misschien moeten we het haar samen vertellen.’
Een week later zitten we weer bij Ria aan tafel. Mijn hart bonkt in mijn keel als Daan begint te praten.
‘Mam… er is iets wat je moet weten.’ Zijn stem trilt weer, maar deze keer kijkt hij haar recht aan.
Ria fronst haar wenkbrauwen. ‘Wat is er dan?’
Daan slikt en kijkt naar mij voor steun. Ik knik bemoedigend.
‘We kunnen geen kinderen krijgen,’ zegt hij zacht.
Het is alsof alle geluid uit de kamer verdwijnt. Ria staart ons aan, haar mond half open.
‘Hoe bedoel je… geen kinderen?’ fluistert ze uiteindelijk.
Ik voel tranen branden achter mijn ogen, maar ik blijf rechtop zitten.
‘We hebben alles geprobeerd,’ zeg ik zacht. ‘Maar het lukt niet.’
Ria’s gezicht vertrekt van schrik naar verdriet naar iets wat lijkt op boosheid.
‘Waarom hebben jullie dit nooit verteld?’ Haar stem klinkt hard.
Daan zucht diep. ‘Omdat we je niet wilden teleurstellen.’
Ria staat op en loopt naar het raam. Ze kijkt naar buiten, naar de regen die tegen het glas tikt.
‘Ik had het moeten weten,’ zegt ze na een lange stilte. ‘Jullie zagen er altijd zo moe uit…’
Ze draait zich om en kijkt me aan, haar ogen vol tranen.
‘Het spijt me dat ik zo heb aangedrongen,’ zegt ze zacht. ‘Ik dacht…’
Ze schudt haar hoofd en komt naar me toe om me vast te houden. Haar armen voelen warm en zwaar om mijn schouders.
Die avond rijden Daan en ik zwijgend naar huis. Maar deze keer voelt het anders – lichter bijna. Alsof er eindelijk ruimte is om te ademen.
Toch blijft er iets knagen. De leegte in huis is niet zomaar gevuld met woorden of excuses. Soms lig ik ’s nachts wakker en vraag ik me af: wie ben ik zonder moeder te zijn? Kan liefde genoeg zijn als dromen uiteenspatten?
Misschien zijn er meer mensen zoals ik – gevangen tussen verwachtingen en werkelijkheid. Wat zouden jullie doen? Hoe vind je jezelf terug als alles anders loopt dan je ooit had gehoopt?