Mijn kinderen willen me naar een verzorgingshuis sturen: ik heb nog zoveel leven in me
“Mam, je moet echt gaan nadenken over een verzorgingshuis.” De stem van mijn dochter Marieke trilt, maar haar blik is vastberaden. Mijn zoon Bas kijkt weg, zijn handen friemelen aan zijn autosleutels.
Ik voel mijn hart bonzen in mijn borst. “Is dit serieus? Jullie willen me wegstoppen?” Mijn stem klinkt schor, bijna onherkenbaar.
Bas zucht. “Mam, je bent 78. Je vergeet steeds vaker dingen. Vorige week stond het gas nog aan toen wij kwamen.”
“Dat was één keer!” roep ik, te fel misschien. Maar het is waar: ik vergeet dingen. Toch voel ik me nog zo levend, zo vol plannen. Ik wil niet opgesloten worden tussen mensen die hun dagen vullen met bingo en koffie zonder smaak.
Marieke schuift haar stoel naar achteren en loopt naar het raam. Buiten regent het zachtjes op de stoep van mijn rijtjeshuis in Amersfoort. “We maken ons gewoon zorgen,” zegt ze zachter. “Je bent vaak alleen. Je belt ons nauwelijks.”
Ik slik. Ze hebben gelijk, ergens. Sinds mijn man Jan drie jaar geleden overleed, is het huis stil geworden. De klok tikt luid, de muren lijken dichterbij te komen. Maar dat betekent toch niet dat ik klaar ben om alles op te geven?
“Jullie komen alleen met Kerst,” zeg ik, zachter nu. “En met Pasen, als er tijd is.”
Bas kijkt me eindelijk aan. “We hebben het druk, mam. Werk, kinderen… Je weet hoe het gaat.”
Ik knik en voel tranen prikken achter mijn ogen. Natuurlijk weet ik hoe het gaat. Ik heb zelf ook gewerkt, kinderen opgevoed, altijd gerend en gevlogen. Maar nu lijkt het alsof mijn leven alleen nog maar bestaat uit wachten op hun bezoekjes.
Die avond lig ik wakker in bed. De regen tikt tegen het raam en in de verte hoor ik een trein voorbij razen. Ik denk aan vroeger: hoe ik Marieke’s haar vlocht voor school, hoe Bas altijd te laat was voor het avondeten omdat hij nog even wilde voetballen met zijn vrienden. Jan die altijd grapjes maakte aan tafel. Alles lijkt zo ver weg.
De volgende ochtend besluit ik iets te doen wat ik al jaren niet heb gedaan: ik pak mijn fiets en rijd naar de markt. De wind waait hard door mijn grijze haren, maar ik voel me vrijer dan ooit. Op de markt koop ik bloemen en maak een praatje met de groenteboer, Pieter. Hij vraagt hoe het met me gaat.
“Ze willen me naar een verzorgingshuis sturen,” zeg ik half lachend.
Pieter kijkt me onderzoekend aan. “En wat wil jij?”
Ik denk even na. “Ik wil leven,” zeg ik zacht.
Thuisgekomen zet ik de bloemen op tafel en bel mijn oude vriendin Els, die ik al maanden niet heb gesproken.
“Els, zullen we weer eens samen naar het museum?” vraag ik.
Ze lacht verrast. “Dat dacht ik nooit meer te horen! Natuurlijk!”
De dagen daarna probeer ik meer te doen: ik schrijf me in voor een schildercursus bij het buurthuis, ga wandelen in het park en zelfs naar een lezing over reizen in Scandinavië. Ik voel me weer mens, geen schim van mezelf.
Maar dan belt Marieke weer.
“Mam, we hebben een afspraak gemaakt bij De Lindehoeve. Gewoon om te kijken.”
Mijn maag draait om. “Ik wil niet kijken.”
“Mam… alsjeblieft.”
Ik geef toe en ga mee. Het verzorgingshuis ruikt naar schoonmaakmiddel en oude soep. De mensen zitten in rijen voor de televisie, sommigen slapen half weggezakt in hun stoel.
Een vriendelijke vrouw leidt ons rond en vertelt over activiteiten: bloemschikken, sjoelen, samen zingen op vrijdagmiddag.
Marieke kijkt me hoopvol aan. “Zie je? Het is hier best gezellig.”
Maar alles in mij schreeuwt nee.
’s Avonds bel ik Bas.
“Waarom willen jullie dit?” vraag ik.
Hij zucht diep. “We zijn bang dat er iets gebeurt als je alleen bent. We willen niet dat je valt en niemand het merkt.”
“Ik ben niet hulpeloos,” zeg ik fel.
“Dat weet ik,” zegt hij zacht. “Maar we willen je niet verliezen zoals we papa verloren zijn.”
Zijn woorden raken me dieper dan ik wil toegeven.
De weken daarna voel ik me verscheurd tussen hun zorgen en mijn eigen verlangen naar vrijheid. Ik merk dat ik vaker dingen vergeet: de melk op het fornuis, een afspraak bij de huisarts die ik misloop. Soms ben ik bang dat ze gelijk hebben.
Op een dag vind ik een briefje van Marieke op tafel: ‘Mam, we houden van je. We willen alleen het beste.’
Ik huil die avond voor het eerst in maanden echt.
Toch besluit ik dat dit niet het einde is van mijn verhaal. Ik zoek hulp bij de huisarts en vraag om thuiszorg voor de moeilijke dagen. Ik vertel Marieke en Bas dat ik hun liefde waardeer, maar dat ik zelf wil kiezen hoe mijn leven eruitziet.
“Jullie mogen bang zijn,” zeg ik tijdens een etentje bij mij thuis, “maar dit is mijn leven.”
Marieke huilt zachtjes en Bas knikt langzaam.
We spreken af dat ze vaker langskomen en dat ze me helpen waar nodig, maar dat het verzorgingshuis voorlopig geen optie is.
’s Nachts lig ik wakker en denk na over alles wat er gebeurd is.
Hebben zij gelijk? Ben ik koppig? Of is het juist dapper om vast te houden aan wie je bent?
Misschien zijn we allemaal gewoon bang om elkaar kwijt te raken.
Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond? Is het egoïstisch om voor jezelf te kiezen als je kinderen zich zorgen maken?