De brief die alles veranderde: Mijn waarheid over papa’s strijd met alcohol

‘Waarom ben je altijd zo laat thuis, pap?’ Mijn stem trilt, maar ik probeer hem stevig te laten klinken. Papa kijkt niet op van zijn bord. De geur van stamppot vult de keuken, maar niemand eet. Mijn moeder, Marieke, schuift ongemakkelijk op haar stoel. Mijn broertje Jesse staart naar zijn vork. Buiten regent het, de druppels tikken als een klok tegen het raam.

‘Ik moest overwerken, Lotte,’ zegt papa uiteindelijk, zijn stem dof. Maar ik weet beter. Ik ruik het aan hem, die scherpe geur die ik inmiddels haat. Ik ben vijftien en ik weet al veel te veel over dingen waar je als kind niet mee bezig zou moeten zijn.

Die avond lig ik wakker in bed. Mijn hoofd bonkt van de spanning. Morgen moet ik een brief schrijven voor Nederlands, over iets wat mij bezighoudt. De juf zei: ‘Wees eerlijk, schrijf uit je hart.’ Maar hoe kan ik dat doen zonder alles kapot te maken? Of… moet juist alles kapot om iets nieuws te kunnen bouwen?

De volgende dag zit ik in de klas. Mijn pen trilt tussen mijn vingers. Ik begin te schrijven:

‘Lieve papa,

Ik mis je. Niet omdat je er niet bent, maar omdat je er niet écht bent. Je bent veranderd sinds je zoveel drinkt. Mama huilt vaak als ze denkt dat niemand het ziet. Jesse doet alsof hij niets merkt, maar hij slaapt slecht en wordt steeds stiller. Ik wil mijn oude papa terug. De papa die met mij naar de speeltuin ging, die grapjes maakte en me leerde fietsen. Ik ben bang dat ik je kwijtraak. Kun je alsjeblieft stoppen met drinken? Voor ons? Voor jezelf?’

Mijn handschrift wordt slordig van de tranen die op het papier vallen. Ik lever de brief in bij mevrouw De Vries en vlucht naar het toilet om te huilen.

Een week later vraagt mevrouw De Vries of ik na de les wil blijven. ‘Lotte, mag ik je brief gebruiken als voorbeeld? Je woorden zijn zo krachtig…’

‘Nee!’ roep ik meteen, geschrokken van mijn eigen felheid. ‘Het is privé.’

Ze knikt begrijpend. ‘Weet je vader dat je dit zo voelt?’

Ik schud mijn hoofd. ‘Hij weet het wel, maar hij wil het niet weten.’

Thuis is het stil als altijd. Mama vouwt was op de bank, haar ogen rood van het huilen. Jesse zit met zijn koptelefoon op achter zijn laptop. Papa is nog niet thuis.

‘Mam…’ begin ik voorzichtig.

Ze kijkt op, haar gezicht moe en ouder dan haar veertig jaar.

‘Ik heb een brief geschreven voor school. Over papa.’

Ze slikt zichtbaar. ‘Mag ik hem lezen?’

Ik knik en geef haar het papier. Ze leest langzaam, haar handen beven lichtjes. Als ze klaar is, kijkt ze me aan met tranen in haar ogen.

‘Dit… dit moet hij lezen, Lotte.’

‘Maar wat als hij boos wordt?’

‘Misschien moet hij wel eens boos worden. Misschien moeten we allemaal eens boos worden.’

Die avond leggen we de brief op papa’s bord voordat hij thuiskomt van zijn ‘overwerk’. We wachten zwijgend tot hij binnenkomt.

Hij ziet de brief en fronst zijn wenkbrauwen. ‘Wat is dit?’

‘Lees maar,’ zegt mama zacht.

Hij leest. Eerst snel, dan nog een keer langzamer. Zijn handen trillen. Hij kijkt me aan, zijn ogen nat.

‘Is dit echt hoe jullie je voelen?’ vraagt hij schor.

Ik knik, durf hem eindelijk aan te kijken.

Er volgt een lange stilte waarin alleen het tikken van de klok hoorbaar is.

‘Het spijt me,’ fluistert hij uiteindelijk. ‘Ik wist niet… Of misschien wilde ik het niet weten.’

Mama pakt zijn hand vast. ‘We willen je helpen, maar je moet het wel zelf willen.’

Die nacht hoor ik papa huilen in de badkamer. Het geluid snijdt door merg en been, maar ergens voel ik ook hoop.

De weken daarna veranderen langzaam dingen in huis. Papa gaat naar de huisarts en krijgt een verwijzing naar een verslavingskliniek in Utrecht. Hij drinkt minder – soms lukt het een paar dagen helemaal niet te drinken, soms gaat het mis en dan is hij weer nors en afwezig.

Op een avond zit ik met hem aan tafel.

‘Ben je boos op me?’ vraagt hij zacht.

‘Nee,’ zeg ik na een lange stilte. ‘Ik ben bang dat ik je kwijtraak.’

Hij knikt en pakt mijn hand vast – voor het eerst in maanden.

Soms zijn er goede dagen: we eten samen pannenkoeken, lachen om oude foto’s, kijken voetbal met Jesse. Maar er zijn ook slechte dagen: dan ruziën papa en mama zo hard dat de buren het kunnen horen, of sluit Jesse zich op in zijn kamer.

Op school vragen vriendinnen waarom ik zo stil ben geworden.

‘Thuis is het lastig,’ zeg ik dan vaag.

Sommigen begrijpen het niet – hun ouders drinken hooguit een wijntje bij het eten – maar mijn beste vriendin Noor knuffelt me gewoon zonder iets te zeggen.

Na drie maanden mag papa naar huis van de kliniek, onder strenge voorwaarden: geen alcohol in huis, wekelijkse gesprekken met een therapeut, en openheid over hoe het gaat.

De eerste weken zijn spannend – elke dag voelt als lopen op eieren. Maar langzaam groeit er vertrouwen terug.

Op een zondagmiddag zitten we samen in het park aan de Vecht.

‘Dankjewel voor je brief,’ zegt papa ineens.

Ik kijk hem verbaasd aan.

‘Zonder jou had ik nooit ingezien hoe erg het was geworden.’

We kijken samen naar de eenden op het water. Voor het eerst in jaren voel ik me licht – alsof er eindelijk weer ruimte is om te ademen.

Toch blijft er angst: wat als hij terugvalt? Wat als alles weer wordt zoals vroeger?

Maar nu praten we tenminste – over pijn, over hoop, over liefde.

Soms vraag ik me af: hoeveel gezinnen zwijgen nog uit schaamte? Hoeveel kinderen schrijven brieven die nooit gelezen worden?

Misschien is eerlijkheid wel het moeilijkste én moedigste wat je kunt doen.