Mijn man wil dat onze beste vrienden bij ons intrekken, maar ik ben bang dat ik dan geen leven meer overhoud

Vorige week stond ik in de bouwmarkt naar stalen voor een badkamervloer te kijken, terwijl mijn man Henk op zijn telefoon foto’s bekeek van trapliften.

Niet voor ons. Voor Kees en Marjan.

Dat klinkt misschien als een klein verschil, maar voor mij voelde het alsof iemand zonder overleg een deur in ons huis had opengezet en daar alvast een verhuisdoos in had geschoven.

Henk en ik zijn allebei 67. Hij werkte bij de gemeente, ik heb ruim dertig jaar in een apotheek gewerkt. We zijn sinds twee jaar met pensioen. Onze twee dochters wonen op zichzelf, één in Zwolle en één in Utrecht, met hun eigen gezinnen en hun eigen volle agenda’s. We hebben een rijtjeshuis in Amersfoort, niet enorm, maar wel fijn. Achter een kleine tuin, een schuurtje waar Henk veel te veel gereedschap bewaart, en boven twee kamers die we eindelijk niet meer nodig hebben voor kinderen, logeerpartijen en rommel.

Kees en Marjan kennen we al sinds 1986. We woonden toen twee straten van elkaar af. Onze kinderen zaten bij elkaar op school, we gingen kamperen in Frankrijk, hebben samen kerst gevierd, begrafenissen meegemaakt, verbouwingen, ontslagen, kleinkinderen. Kees was getuige op ons huwelijk. Marjan wist eerder dan mijn eigen zus dat ik een miskraam had gehad.

Het zijn geen kennissen met wie je af en toe koffie drinkt. Ze horen bij ons leven zoals de oude foto’s in de gang erbij horen.

Daarom vind ik het zo verschrikkelijk dat ik de laatste maanden steeds minder graag opneem als Marjan belt.

Bij Kees begon het vorig jaar met kleine dingen. Hij vergat afspraken, reed een keer verkeerd naar de supermarkt waar hij al twintig jaar kwam, en vroeg tijdens een etentje drie keer of onze oudste dochter nog in Leiden studeerde. Ze is 38 en heeft twee kinderen. Eerst maakten we er nog luchtige grapjes over, wat je doet als je bang bent en niet weet wat je moet zeggen.

Maar daarna ging het sneller dan ik had verwacht. Kees liet een pan droogkoken. Hij was op een ochtend naar buiten gegaan in zijn pantoffels en wist niet meer hoe hij thuis moest komen. Marjan vond hem bij de bushalte, nog geen vijfhonderd meter verderop. Ze vertelde het alsof ze boos was op de buschauffeur, op de regen, op iedereen behalve op Kees.

De huisarts heeft hen doorverwezen naar de geheugenpoli. Er zijn onderzoeken geweest. De diagnose is nog niet helemaal definitief uitgesproken, maar er wordt gesproken over een vorm van beginnende dementie. Marjan zegt steeds: ‘Hij is er toch nog gewoon?’ En dat is ook zo. Kees kan nog lachen, hij maakt nog flauwe opmerkingen, hij weet precies welke wijn Henk lekker vindt.

Maar hij is ook niet meer helemaal de Kees die ik kende.

Marjan wil geen thuiszorg. Geen casemanager, geen dagbesteding, geen mensen die met een map binnenkomen en gaan vertellen hoe ze het moet aanpakken. Ze zegt dat ze geen vreemde in haar huis wil die Kees behandelt alsof hij al weg is.

Ik begrijp haar ergens. Echt. Ik zou waarschijnlijk ook eerst denken: laat ons nog even normaal doen.

Alleen is ‘normaal’ inmiddels dat ze Henk soms drie keer per dag belt. Of ze stuurt mij om half zeven ’s ochtends een berichtje: ‘Kun jij vandaag even bij Kees zitten? Ik moet naar de tandarts en hij raakt onrustig als ik weg ben.’ Dan zit ik met mijn koffie in mijn hand en voel ik me meteen schuldig omdat ik eigenlijk naar yoga wilde.

Het begon met kleine dingen. Een boodschap meenemen. Een middag bij hem blijven zodat Marjan kon slapen. Samen met hem wandelen, hoewel hij dan na tien minuten naar huis wilde omdat hij dacht dat zijn moeder op hem wachtte.

Henk deed alles zonder aarzelen. Hij vindt het oprecht fijn om nuttig te zijn. Hij en Kees zijn altijd heel close geweest. Ze voetbalden vroeger samen, hebben jarenlang geklust bij elkaar, en als er iets met een auto was belden ze niet de garage maar elkaar.

Toen Marjan een paar weken geleden zei dat ze misschien beter dichter bij ons konden wonen, knikte Henk al voordat ze haar zin af had.

Ik dacht nog dat ze een appartement in de buurt bedoelde.

Maar ze bedoelde onze aanbouw.

Wij hebben aan de achterkant een oude serre die in de winter vooral koud is en in de zomer niet te harden. Henk heeft al jaren plannen om die te vervangen door een geïsoleerde aanbouw. Marjan zei dat het ideaal zou zijn: een slaapkamer en een aangepaste badkamer beneden, een eigen deur naar de tuin. ‘Dan zijn we toch dicht bij elkaar, maar niet voortdurend op elkaars lip,’ zei ze.

Ze zei het met zo’n opgeluchte blik dat ik geen woord uit mijn mond kreeg.

Henk legde later die avond zijn hand op mijn knie en zei: ‘Het zou toch prachtig zijn, Lies. Dan kunnen we ze helpen zolang het nog kan. Kees zou dat ook voor mij doen.’

Ik zei: ‘Zolang het nog kan? Henk, dit wordt niet minder. Dit wordt juist meer.’

Hij keek me aan alsof ik iets heel hardvochtigs had gezegd.

De dagen daarna hebben we er ruzie over gemaakt op een manier die niet bij ons past. Niet schreeuwen of met deuren slaan, maar van die stille, nare ruzies. Hij ging vroeger naar bed. Ik bleef beneden zitten met de televisie aan zonder te weten wat ik keek.

Henk vindt dat ik alleen maar denk aan onze vrijheid. En ja, dat doe ik ook. Daar ben ik blijkbaar niet trots genoeg op om het makkelijk te zeggen.

Ik heb zo lang gewerkt. Altijd rekening gehouden met openingstijden, roosters, kinderen, ouders die ouder werden. Sinds kort gaan we op woensdagmorgen met de trein naar een andere stad, gewoon omdat het kan. We drinken koffie, lopen wat rond, kopen soms iets onnodigs. We hadden plannen om in september drie weken met de camper door Denemarken te gaan. Niet spectaculair, maar voor ons voelde het als iets waar we eindelijk aan toe waren.

Als Kees en Marjan hier wonen, kan Henk dan nog drie weken weg? Kan ik dat? En als Marjan ziek wordt, een gebroken pols krijgt, of het simpelweg niet meer trekt, wie doet dan de nachten? Wie regelt de medicijnen, de afspraken, de ongelukjes waar niemand over praat?

Want daar gaat het uiteindelijk heen, hoe pijnlijk het ook is.

Ik heb Marjan vorige zondag geprobeerd uit te leggen dat we best willen helpen, maar dat inwonen iets anders is dan helpen. We zaten bij hen aan tafel. Kees was boven een dutje aan het doen. Marjan had appeltaart gehaald, terwijl ze normaal zelf bakt. Dat viel me op en ik haatte mezelf omdat ik daar meteen betekenis aan gaf.

Ik zei dat er ook ondersteuning bestaat, dat de huisarts of de gemeente misschien mee kan denken, dat een casemanager dementie niet betekent dat ze de regie kwijtraakt.

Marjan werd heel stil. Daarna zei ze: ‘Dus jullie willen ons eigenlijk niet.’

Dat was niet wat ik zei. Maar het was wel wat zij hoorde.

Henk zei niets. Dat vond ik misschien nog het ergste. Hij keek naar zijn handen en liet mij daar zitten alsof ik degene was die twee mensen buiten in de regen had gezet.

Later, thuis, zei hij dat ze nergens anders heen konden. Hun eigen huis heeft een steile trap, hun zoon woont in Canada en hun dochter woont in Eindhoven en werkt fulltime. ‘Wij zijn hun mensen,’ zei hij.

Ik zei: ‘Maar wij zijn niet hun zorgplan.’

Daar werd hij boos van. Ik ook, trouwens. Alsof die ene zin alles samenvatte wat ik niet wilde voelen: dat ik bang ben voor Kees, voor wat er komt, en misschien ook voor Marjan. Zij doet nu alsof ze alles alleen kan, maar ondertussen schuift ze steeds meer naar ons toe. Niet uit kwaadheid. Uit paniek, denk ik.

Gisteren heeft Henk de aannemer afgebeld. Niet omdat we besloten hebben dat het niet doorgaat, maar omdat ik hem had gevraagd tenminste niets te regelen voordat we met z’n vieren echt praten. Dat gesprek is komende zaterdag.

Ik slaap er slecht van. Een deel van mij wil toegeven, alleen maar om die blik van Marjan niet nog eens te hoeven zien. Een ander deel denkt dat we dan over een jaar met vier mensen in dit huis zitten, allemaal uitgeput, en dat niemand meer eerlijk durft te zeggen dat het zo niet gaat.

Vanmorgen appte Marjan of ik koffie kwam drinken. Ik heb geschreven dat ik niet kon, terwijl ik eigenlijk niets had.

Daarna heb ik de keuken opgeruimd, de vaatwasser opnieuw ingeruimd omdat Henk de mokken verkeerd had gezet, en vervolgens heb ik een uur naar de regen in de tuin gekeken.

Zaterdag ligt er nog geen oplossing op tafel. Alleen vier mensen die vroeger zonder moeite wisten wat ze aan elkaar hadden.